In een civielrechtelijke procedure kan de gedaagde partij niet alleen verweer voeren, maar ook een tegenaanval inzetten door een vordering tegen de eisende partij in te stellen, een zogenaamde eis in reconventie (art. 136 Rv.). Deze reconventionele vordering hoeft inhoudelijk niet in verband te staan met de conventionele vordering - de eis waarmee de procedure is begonnen.

Zo kunnen twee zelfstandige procedures tussen dezelfde procespartijen worden gevoerd als één proces, veelal uitmondend in één uitspraak waarin de rechter zowel op de conventionele als op de reconventionele vordering beslist.

De Basis van de Eis in Reconventie

Reconventie houdt in dat je een eigen eis instelt tegenover de eis die iemand tegen jou heeft ingesteld. Je zou het ook een "tegeneis" kunnen noemen (art. 136 Rv.). De conventie en de reconventie zijn in feite twee afzonderlijke procedures, die zich - zij het de reconventie een fase vertraagd - parallel afspelen.

De procedure begint met de eis in conventie (de dagvaarding), dan volgt het antwoord in conventie maar die gaat gepaard met de eis in reconventie. De reconventie loopt dus steeds 1 stapje achter op de conventie, maar is in de praktijk wel onderdeel van dezelfde procedure.

Formeel is het echter een afzonderlijke procedure: hetgeen is gesteld in conventie is niet automatisch ook gesteld in reconventie. Om die reden wordt vaak een zinnetje toegevoegd waarin wordt gevraagd hetgeen in conventie gesteld is in reconventie ‘als herhaald en ingelast’ te beschouwen.

Op basis van het beginsel van hoor en wederhoor moet de eiser in conventie - gedaagde in reconventie - ook kunnen antwoorden op de eis in reconventie. Bij de reconventie moet de eiser in reconventie de eis (het petitum) meteen vermelden (art. Art. 111 lid 3 Rv. is ook van toepassing: de door gedaagde (de eiser in conventie dus) tegen de eis (in reconventie) aangevoerde verweren en de gronden daarvoor moeten vermeld worden.

Verder moeten meteen de bewijsmiddelen genoemd worden waarover eiser (in reconventie) kan beschikken en de getuigen die hij kan doen horen ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis. Dit in het kader van de waarheidsplicht en de stelplicht.

Wanneer kan een eis in reconventie ingesteld worden?

Zoals gezegd, zijn er twee naast elkaar bestaande procedures in één geding. Vaak zullen de eis in conventie en de eis in reconventie met elkaar samenhangen. Maar dat is geen voorwaarde voor het instellen van een eis in reconventie.

De eis in reconventie moet bij de conclusie van antwoord worden ingesteld. Later kan niet. Wordt een eis in reconventie ingesteld, dan zijn er weliswaar twee zelfstandige procedures maar deze worden feitelijk in één geding behandeld. Voordeel van gelijktijdige behandeling is dat het tijdsbesparing oplevert.

Punt van aandacht is wel dat het instellen van een tegenvordering invloed kan hebben op de bevoegdheid van de rechter. De kantonrechter is - kort gezegd - bevoegd bij vorderingen tot € 25.000 en daarbij wordt gekeken naar het totaal van beide vorderingen. Komt het totaal boven de € 25.000, dan zal de kantonrechter de procedure verwijzen naar de sector civiel.

Eis in Reconventie in Hoger Beroep: De Hoofdregel

De wet bepaalt dat een eis in reconventie niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld (art. 353 lid 1 Rv). De achterliggende gedachte is dat het hoger beroep zich alleen uitstrekt tot geschillen die aan de rechter in eerste aanleg zijn voorgelegd. Daarbij past het niet dat de geïntimeerde - de verweerder in appel - via een reconventionele vordering een nieuw geschil kan aanboren.

Bovendien zou de partij die pas in hoger beroep met een reconventionele vordering geconfronteerd wordt, een instantie worden ontnomen.

Uitzonderingen op de Regel?

Het hof overweegt dat een reconventionele vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld, maar voegt daaraan toe dat uitzonderlijke omstandigheden een uitzondering op die regel kunnen rechtvaardigen. De appelrechter laat - helaas - in het midden of daarvan ook sprake is. Hij constateert namelijk dat de rederij hoe dan ook geen belang bij haar eis in reconventie heeft.

Belangrijk is dat de rederij pas in hoger beroep in de procedure werd betrokken. Art. 353 Rv gaat ervan uit dat tussen de procespartijen reeds een debat in eerste aanleg heeft plaatsgevonden, maar in dit (uitzonderlijke) geval was daar dus geen sprake van. Bovendien zag de rederij vanwege de eiswijziging door het Waterschap direct een vordering tegen zich gericht worden. Daarmee werd juist de rederij een instantie ontnomen - en niet in de eerste plaats het Waterschap als partij tegen wie de reconventionele vordering gericht was.

Tot slot zag de reconventionele eis van de rederij niet op een totaal ander geschil, maar juist op het feitencomplex waarover het hof zich toch al moest buigen. Dit alles bij elkaar optellend valt te betogen dat de ratio van art. 353 Rv zich in het onderhavige geval niet tegen de reconventionele vordering in hoger beroep verzette.

Tegelijk rijst de vraag of naar huidig recht wel ruimte bestaat voor uitzonderingen op de regel van art. 353 Rv. De wettekst lijkt die ruimte niet te bieden en ook in de jurisprudentie is een uitzondering niet eerder aanvaard. Integendeel. Zo benadrukte het Amsterdamse gerechtshof in 2016 nog dat het verbod op het instellen van reconventionele vorderingen in hoger beroep géén uitzonderingen kent.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden zet de deur op een kier voor reconventionele vorderingen in appel. Dat is goed te verdedigen, gelet op de bijzondere omstandigheden uit de onderliggende procedure.

De Praktijk: Eiswijziging in Hoger Beroep

Artikel 130 Rv bepaalt dat de eiser bevoegd is om lopende een procedure zijn eis te veranderen of te vermeerderen. De rechter kan een dergelijke eiswijziging buiten beschouwing laten, indien deze in strijd is met de eisen van de goede procesorde. Op grond van artikel 353 Rv is het bepaalde in artikel 130 Rv ook in hoger beroep van toepassing.

Een eiswijziging is daarom in beginsel ook nog in hoger beroep mogelijk. Dat stemt overeen met de herstel- en herkansingsfunctie van het hoger beroep. Toch zijn er enkele bijzonderheden verbonden aan het veranderen of vermeerderen van een eis in hoger beroep.

In het arrest Willemsen c.s./NOM heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de oorspronkelijk eiser in beginsel zijn eis niet meer kan veranderen of vermeerderen na de memorie van grieven of antwoord.

Dit oordeel komt voort uit de ruime definitie die de Hoge Raad aan het begrip grief heeft toegekend, namelijk alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Ook een eiswijziging betreft een nieuwe grond die ertoe strekt dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd en kwalificeert om die reden als grief.

Op grond van de tweeconclusieregel, die is neergelegd in artikel 347 lid 2 Rv, geldt dat grieven niet meer na memorie van grieven of antwoord kunnen worden voorgedragen. Op deze regel gelden een aantal uitzonderingen. Een uitzondering is op zijn plek indien de aard van het geschil dit meebrengt of anders zou moeten worden beslist op basis van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken feiten. Aangenomen wordt dat ook een uitzondering geldt indien de wederpartij ondubbelzinnig instemt met een eiswijziging die plaatsvindt na de memorie van grieven en antwoord.

Zoals gezegd kan de rechter een eiswijziging buiten beschouwing laten, indien deze in strijd is met de eisen van de goede procesorde. Dit geldt ook in hoger beroep. Bij de beoordeling kan het hof ook acht slaan op processueel gedrag van een partij in eerste aanleg.

Van belang is dat een eiswijziging in beginsel niet mag leiden tot een wijziging van de partijhoedanigheid. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een partij in beginsel niet in appel door middel van een eiswijziging in een andere hoedanigheid kan gaan optreden dan waarin hij in eerste aanleg optrad. Een dergelijke wijziging van partijhoedanigheid kan zich bijvoorbeeld voordoen bij procederen krachtens volmacht en bij procederen namens minderjarigen.

Indien het hof de eiswijziging toelaat, is daarmee nog niet beslist over de vraag of de vordering moet worden toegewezen. Een risico dat zich voordoet bij een eiswijziging in hoger beroep is dat de vordering inmiddels is verjaard. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete bijvoorbeeld door verloop van vijf jaren.

Als de gewijzigde eis berust op een nieuwe grondslag is sprake van een nieuwe vordering. Gezien het voorgaande verdient het aanbeveling om de eis, indien nodig, zo vroeg mogelijk in de procedure te veranderen of vermeerderen. Daarmee wordt de kans verkleind dat de eiswijziging buiten beschouwing wordt gelaten vanwege strijd met de goede procesorde en wordt het verjaringsriscio verkleind.

Indien pas in hoger beroep een eiswijziging plaatsvindt, dient dit in beginsel bij memorie van grieven of antwoord te geschieden. In die situatie mag geen sprake zijn van een ingrijpende koerswijziging, waarop de wederpartij niet meer adequaat kan reageren.

Indien het hof een eiswijziging ontoelaatbaar acht, hoeft dit overigens niet te betekenen dat de rechten van appellant verloren gaan.

labels: #Ei

Zie ook: