In 1602 werd de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) opgericht. Het was de eerste scheepsvaartcompagnie dat door rijkelui werd opgericht, en niet door de regering. Het was ook het eerste bedrijf dat gebruik maakte van aandelen. De VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) maakte verre reizen naar het Oosten, waar nu Azië ligt. De VOC handelde in Het Oosten vooral in kruidnagel, nootmuskaat en peper. Drie keer per jaar werd er zo’n lange reis gemaakt. Vaak werden dan tot wel 350 bemanningsleden meegenomen. Een reis naar de Oost (zoals men Azië toen noemde) duurde meestal tussen de 9 maanden (als de wind erg gunstig was) en de twee jaar, maar soms duurde het nóg veel langer voor een schip terug was.

Voedselconservering en Rantsoenen

In de Gouden Eeuw had men natuurlijk nog geen koelkasten, dus moest alles op een andere manier goed worden gehouden. Om het eten langer houdbaar te maken werd vooral gepekeld, gezouten en gedroogd voedsel meegenomen, zoals stokvis, gezouten vlees en scheepsbeschuit. Dit was een soort hard broodje, waar je na twee maanden op zee zitten de maden uit moest kloppen. (ervaren zeelui sloegen altijd eerst met hun brood op tafel, zelfs aan wal) Er werden ook vaak bonen meegenomen, deze waren gedroogd en bleven ook lang goed. Ook werden er vaak levende dieren meegenomen, zoals geiten en kippen. Levende dieren konden immers niet verrotten.

Als een schip van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) een lange reis naar de Oost maakte werd veel voedsel en drank ingeslagen. Een schip dat vanuit Nederland uitvoer voor een reis naar bijvoorbeeld Indonesië had voor negen maanden voedsel bij zich. Dat was op zichzelf ruim voldoende. Voor een bemanning van 350 opvarenden werd het volgende meegenomen op een lange reis: 55.000 pond brood, 22.000 pond vlees, 10.000 pond spek, 3700 pond boter en 700 kazen.

De rantsoenen waren precies afgemeten en nauwkeurig was beschreven hoeveel een ieder kreeg. Dit was voor de gewone bemanningsleden per week: 330 gram vlees, 660 gram spek, 220 gram boter bij het brood, één mutsje azijn en één mutsje olijfolie. De onderofficieren kregen 1,5 keer zoveel als een gewoon bemanningslid en officieren kregen 2 keer zoveel als een gewoon bemanningslid. De onderofficieren hadden een ruimere portie: anderhalf maal het rantsoen van de gewone bemanningsleden.

Alleen officieren, onderofficieren en belangrijke passagiers kregen vers vlees, tenzij gewone bemanningsleden een fooi kregen of als er een goed bemanningslid ziek was.

Problemen met Voedsel en Drank

Toch waren er problemen met het voedsel en de drank. Zo kon het voedsel alleen gedroogd of gezouten worden bewaard, maar soms bleek tijdens de reis een deel van het voedsel niet geschikt voor consumptie. De precieze oorzaak van het bederf was nooit te achterhalen. Soms werd er door leveranciers in Nederland oud en bedorven voedsel geleverd.

Er waren niet veel mogelijkheden om vers voedsel, fruit en vlees mee te nemen aan boord van een schip. Hier waren wel oplossingen voor bedacht, zoals het meenemen van levende dieren, en dan met name schapen en varkens. Deze dieren werden in kooien aan boord gehouden en geslacht op het moment dat besloten was ze op te eten. Een andere mogelijkheid om verse producten te eten was natuurlijk het vangen van vis. Dit was voor vele bemanningsleden een aangenaam tijdverdrijf op de soms lange saaie dagen van de zeilreis.

Een groot probleem was groente en fruit. Dat verrotte enorm snel, ook ingedroogd, en daarbij werd het vaak niet eens meegenomen. Daarom ontstond er na een tijd een tekort aan vitamine C. Door het tekort aan groente en fruit ( dus vitamine C) ontstonden vaak ziekten als scheurbuik (hierover meer in een later hoofdstuk).

Ook het drinkvocht veroorzaakte de nodige problemen. Men nam veel bier, water, sterke drank en wijn mee. Wijn was alleen voor de officieren, passagiers en andere belangrijke personen. Iedere matroos kreeg één keer per dag een oorlam of warmoes, 15 cl sterke drank. Het water werd eigenlijk als reserve meegenomen.

Bij het aan boord brengen van het water werd rekening gehouden met 400 liter per persoon, inclusief het water wat nodig was voor het bereiden van de maaltijd. Het water bedierf echter vaak. Bedorven water verspreidde een enorme stank aan boord en er was weinig anders aan te doen dan het overboord te kieperen. De watervoorraad was over het algemeen voldoende om Kaap de Goede Hoop te halen. Als het water niet bedierf was er genoeg voor elk bemanningslid om naast zijn eigen rantsoen van een kan per dag vrij te drinken uit een geopend watervat op het dek van het schip.

Toen werd de kist met water open gemaakt. Ondertussen was het schip al maanden onderweg, dus het water was helemaal niet goed meer. En ondertussen zaten er al maden en larven in het water. Dus, als je het water wilde drinken, moest je eerst je tanden op elkaar zetten zodat je de maden niet inslikte. Natuurlijk was dit niet gezond, of lekker. Ook kregen de normale scheepslui per dag een kleine hoeveelheid wijn.

Het goedhouden van de meegebrachte drank was vaak nog moeilijker dan het conserveren van het ingeslagen voedsel. De eerste weken van de reis waren er wat betreft de drank nog niet erg veel problemen. In deze begintijd van de reis kon er nog voldoende bier worden gedronken. Voor elk bemanningslid was er twee liter per dag. Het scheepsbier had echter een probleem: het was beperkt houdbaar. Binnen drie maanden moest al het bier zijn opgedronken. Als het bier op was, had de scheepsbemanning maar één alternatief: water.

Het water en ander voedsel werden bewaard in houten vaten. De opperkuiper en een aantal onderkuipers (allen waren vatenmakers) zorgden voor het onderhoud van de vaten. Ook kregen de bemanningsleden naast hun rantsoen van bier of water elke dag een kleine hoeveelheid wijn. Zo is bekend dat er tijdens een reis in 1776 Franse, Kaapse en Spaanse wijn aan boord was. Ook bij bijzondere gelegenheden kreeg de bemanning extra wijn en ook bij storm en harde regens werd er extra drank uitgedeeld, voornamelijk jenever en brandewijn.

De Kombuis en Maaltijden

Een kok had het zwaar op een schip. Met goed, zonnig weer was het bloedheet in de kombuis ( De plek waar de kok het eten klaarmaakte), en met storm stroomde het kokende water uit de pannen en ging het hele schip op en neer. De kok bereidde het eten met zijn helpers. Als de kok probeerde van de troep die als voedsel werd meegenomen iets eetbaars te maken, kreeg hij alsnog de vervloekingen van de scheepsmaten om zijn oren.

De kok en zijn helpers zorgden voor het klaarmaken van het eten. Veel creativiteit kwam hier echter niet bij kijken. Zo is er een menu uit een reis van 1774 bewaard gebleven, waaruit blijkt dat ’s ochtends uitsluitend gort werd geserveerd, ’s middags soep met schapevlees (op zondag en vrijdag), witte erwten (op zaterdag en maandag), witte bonen met spek (op dinsdag en donderdag) en op woensdag werd er evenals in de ochtend gort gegeten bij de lunch.

De bottelier zorgde ervoor dat elke dag een afgemeten hoeveelheid levensmiddelen terecht kwam bij de kok en diens koksmaten. Hiernaast was er een ‘matroos, die ‘de verse balie’ werd genoemd. Deze man zette het gezouten vlees en spek 24 uur in de week om te ontzilten. ‘s Ochtends stonden de kok en zijn helpers op bij de eerste wacht en begonnen met de bereiding van het ontbijt. ’s Middags werd er om 12 uur gegeten en in de avond werd er gegeten na het gebed. De kombuis waar de kok werkte bevond zich op het tussendek in een kleine brandvrije ruimte. Hier werd het voedsel op vuur gekookt. Toch waren er ook dagen dat er geen warm eten werd uitgedeeld.

Als de kok klaar was met het koken, en er gegeten kon worden, werd de scheepsbel geluid. Als het etenstijd was, werd de scheepsbel geluid. Alle maats (ander woord voor matroos) verzamelden zich en verdeelden zich in groepjes van 7 man. Iedere groep kreeg een grote bak prut (waar dan ook van gemaakt) en iedereen kreeg een lepel.

Aan boord werd gegeten in groepen van zeven man. De bottelier deelde deze groepen in. Zo’n groep werd ook wel vaker een bak genoemd. Deze groep werd ook wel een bak genoemd. De leider van een bak ging met een schotel naar de kombuis waar de kok het voedsel opschepte. Iedere bak kreeg twee eenheden olijfolie en een pond boter voor vis. Eenmaal aan tafel gezeten werd het eten verdeeld in zeven porties. Over het algemeen werden de porties door de bemanningsleden wat omvang betrof wel gewaardeerd. Het probleem was meer dat het eentonig was en week na week, maand na maand steeds weer opnieuw hetzelfde voedsel moest worden gegeten.

Variatie voor Officieren en Passagiers

Een uitzondering hierop vormden de menu’s van officieren en passagiers. Deze laatste groepen kregen niet alleen dubbele porties maar aten ook gevarieerder. Het was gebruikelijk dat officieren voor de reis geld gaven om extra eten en drank voor zichzelf te laten inslaan. Ook hadden de passagiers en officieren aan de eettafel meer luxe: zo waren er tafelkleden, tafellakens, servetten, handdoeken en droogdoeken.

Het eten was dus erg eentonig, maar voor de officieren en passagiers was het juist gevarieerd. Zij kregen ook nog twee keer zo veel, en het waren veel chiquere maaltijden zoals zalm, ham, kalkoen, hoenderpastei, gekookte eend etc. Zij aten ook nog met bestek, tafellakens en servetten.

De passagiers betaalden veel geld om mee te gaan met bijvoorbeeld een reis naar Kaap de Goede Hoop of naar De Oost. Deze bevoorrechte groep had weinig te klagen over het voedsel. Zo voeren de gezusters Swellengrebel in 1751 aan boord van het schip De Liefde van Kaap de Goede Hoop naar Nederland. Op het menu stond onder meer: soep van gekookte groene zalm, ham, kalkoenen, hoenderpastei, gekookte eenden, koteletten, gebraden speenvarken, gesmoorde schapenbout, snijbonen, kruisbessen, spinazie en gestoofde appelen.

Wantrouwde men groenten en fruit in de 17e eeuw? In fruit en groente zit veel vitamine C. In de 17e eeuw werd geloofd dat groenten en fruit niet goed voor je waren, omdat ze zo snel bedorven. Omdat ze zo snel bedorven, konden ze ook niet worden meegenomen op reis. Daarom ontstond er na een tijd een tekort aan vitamine C.

Scheurbuik en Andere Ziekten

Aan boord van een schip ontstonden een aantal ziekten door het leven aan boord, zoals:

  • Longontsteking
  • Oogontsteking
  • Hoofdluis
  • Kleerluis
  • Rode loop (dysenterie)
  • Scheurbuik

Als dat heel ernstig werd, kwamen de eerste symptomen van scheurbuik (scorbus). De symptomen begonnen met last van het tandvlees, toen kwamen kortademigheid, moeheid, zwellingen en bloedingen. Daarna kwamen slappe, stijve en pijnlijke ledematen en zelfs inwendige bloedingen. Bij het tekort aan vitamine C in het lichaam is het slijmvlies in de maag ook niet optimaal, waardoor andere vitaminen ook niet goed werden opgenomen. Hierdoor krijg je bloedarmoede-achtige klachten die te herleiden zijn naar het vitamine C tekort. Deze ziekte kwam het meest voor.

Longontsteking, kleerluis, rode loop en scheurbuik konden dodelijk zijn, maar scheurbuik kwam het meest voor door het grote tekort aan groente en fruit. De kleerluis op zich was niet dodelijk, maar bracht de ziekte vlektyfus over en dát was wel dodelijk. Rode loop was een heel ernstige, slijmerige en bloederige diarree, die vaak gepaard ging met erge buikkrampen. Het was niet per definitie dodelijk, maar je raakte er in ieder geval erg door verzwakt.

En dan scheurbuik, een dodelijke ziekte die veroorzaakt werd door een tekort aan vitamine C, en daar was te kort aan op die schepen, hoor! Symptomen waren rottend tandvlees, en bloedingen aan de benen. Halverwege de 18e eeuw kwam men erachter dat het goed houdbare zuurkool de ziekte kon voorkomen. Eerder lieten sommige kapiteins hun bemanning citroensap of aftreksels van lepelblad met jenever drinken.

Kaap de Goede Hoop en Straat Sunda

Als de schepen bij Kaap de Goede hoop waren, werden daar nieuwe voorraden ingeslagen. Kaap de Goede Hoop was de haven waar op de reis naar de Oost nieuwe voorraaden werden ingeslagen. Zo werd hier de voorraad vlees en spek aangevuld en werd er nieuwe levende have ingeslagen. Er werd nieuw vlees en spek aan boord gehaald, en het is bekend dat er in 1775 een koe aan boord werd gehaald, die later met veel plezier werd opgegeten.

Na Kaap de Goede Hoop deed de eerstvolgende mogelijkheid om nieuw vers voedsel in te slaan zich pas voor als het schip de Straat Sunda binnenvoer en er schepen van inheemse bewoners langszij voeren om fruit, groente, kip, vis, schildpadden en geiten te verkopen. De volgende keer dat er eten kon worden ingeslagen, was pas in de straat Sunda. Daar stonden inheemse bewoners dan vis, kip, groente, fruit, schildpadden en geiten te verkopen. Het bevaren van De Straat Sunda was voor de bemanning dan ook een plaats waar zij naar uitkeken.

Jenever aan Boord

Genever is een eeuwenoud Nederlands product, gedistilleerd van moutwijn, met de jeneverbes als prominent ingrediënt. Uit onderzoek is gebleken dat er aan boord van Nederlandse schepen in de 16e tot 19e eeuw vooral jenever werd geserveerd, en veel ook.

Om te drinken aan boord nam men dus water, bier, wijn en sterke drank (jenever) mee. Het water en bier gingen hard achteruit naarmate de reis vorderde terwijl de wijn en jenever redelijk goed bleven. Per dag kreeg een bemanningslid ongeveer een liter bier en een beetje wijn of jenever te drinken. Uitdroging kwam regelmatig voor, met name als er onderweg problemen waren met het inslaan van nieuwe voorraden of dat men door weersomstandigheden dan wel navigatiefouten langer onderweg was.

labels:

Zie ook: