Deze bibliografie is een overzicht van het werk van Gerard Soeteman, een invloedrijke Nederlandse scenarioschrijver en auteur. Zijn bijdragen aan zowel de literatuur als de filmwereld hebben een blijvende indruk achtergelaten. Hieronder volgt een beschrijving van zijn werk, met speciale aandacht voor zijn scenario's en andere literaire aanwinsten.

Literaire Analyse van "De Stille Kracht"

Lang geleden probeerde ik indruk te maken op Rob Nieuwenhuys door te onthullen dat De stille kracht is opgebouwd als een klassieke tragedie. Een hele ontdekking, vond ik zelf. Nieuwenhuys antwoordde tot mijn teleurstelling niet alleen dat hij dat al wist, maar - nog erger - hij had er zelfs een artikel over geschreven.

Dat artikel verscheen in de Haagsche Post (waar Louis Couperus zelf ook voor geschreven heeft) ter gelegenheid van de tv-première van de serie De stille kracht in 1974. Persoonlijk vind ik de tv-serie nog altijd heerlijk om naar te kijken: een uitstekend script en juist vanwege de bordkartonnen decors valt het knappe acteerwerk na veertig jaar des te meer op. Lilian Ducelle, hoofdredacteur van Tong Tong/Moesson, ontwierp de kostuums en aan de hele sfeer merk je dat de set een reünie van oud-Indischgasten moet zijn geweest.

Maar Louis Couperus heeft de regels van het klassieke drama nog veel strikter nageleefd dan Nieuwenhuys beschreef. Wat is een tragedie? Een tragedie, aldus Aristoteles, bestaat uit een reeks aangrijpende gebeurtenissen die zowel medelijden als angst oproepen en de toeschouwer voor een psychologisch of moreel vraagstuk stellen die uiteindelijk een emotionele reiniging teweegbrengen - de zogenaamde katharsis.

Daarnaast moet er samenhang zijn tussen de karakters en de handeling - hoe meer samenhang, hoe beter het verhaal. Om te beginnen houdt de roman zich aan de eenheid van tijd, plaats en handeling. De belangrijke gebeurtenissen vinden niet binnen een etmaal plaats, maar wel vrijwel uitsluitend 's avonds, de plaats van handeling is Laboewangi en het conflict tussen de resident en regent staat centraal.

De stille kracht opent traditioneel met de expositio of protasis waarin we de personages en de situatie leren kennen. Zoals Afred Hitchcock later graag deed, bijvoorbeeld in zijn film Psycho: eerst krijgen we de omgeving te zien, dan het residentiehuis (‘in den nacht der waringinboomen’) en vervolgens de resident. Couperus zoomt als het ware in. Er lijkt nog niets aan de hand te zijn, maar een sfeer van suspence and surprise zit er vanaf het eerste ogenblik in: ‘Plotseling blafte een hond, en antwoordde een andere hond en verscheurde de donsende stilte in lange, ruwe flarden; de nijdige hondekelen, heesch ademloos, schor vijandig; plotseling ook zwegen zij stil.’

Na een lange dag maakt Van Oudijck een avondwandeling door Laboewangi. Als hij uitkijkt over de zee, worden we voor het eerst geconfronteerd met het thema van de roman: ‘de geheimzinnige vijandschap’, aldus Couperus zelf, ‘van Javaanschen grond en sfeer en ziel, tegen den Nederlandschen veroveraar’ - een variatie op de klassieke noodlotsgedachte, die als een rode draad door zijn werk loopt. Van Oudijck merkt niets van de dreiging die de hoofdoppasser des te meer voelt: ‘Het is hier niet goed, het is hier niet goed, tjelaka, tjelaka.

Bijzonder aan De stille kracht is dat Couperus de vergeten koloniale wereld van rond 1900 met enerzijds diepgang en anderzijds afstand beschrijft. Met veel kennis, eigen ervaring en inlevingsvermogen, zonder zich ooit ergens tot een moreel oordeel te laten verleiden. Eigenlijk heeft de schrijver Louis Couperus wel wat weg van het personage van Léonie. Hans Dagelet (Addy), de te jong gestorven Astrid Ceuleers (Doddy), Willem Nijholt (Theo) en Pleuni Touw (Léonie).

De volgende belangrijke gebeurtenis doet zich voor als de regent van Ngadjiwa, de broer van Soenario, en plein publique mataglap wordt. Nu besluit Van Oudijck dat de maat vol is en we naderen wat het motorische moment wordt genoemd, het ogenblik waarop het verhaal nog maar twee kanten op kan: verzoening of ondergang (catastrofe). De raden ajoe komt bij de resident op audiëntie en smeekt hem om haar zoon niet te ontslaan. Het hoogtepunt van het conflict (de crisis) lijkt niet ver meer te zijn als een opstand in de lucht hangt.

Van Oudijck weet die echter, dankzij zijn diplomatie, moed en kennis van zaken af te wentelen. Komt er dan toch een verzoening? Het lijkt er aanvankelijk wel op. De raden ajoe zwicht, de fancy-fair verloopt probleemloos, Laboewangi slaapt weer in en we keren terug naar het spleen van Eva. Om te beginnen wordt Léonie, nog onverstoorbaar kalm toen de regent van Ngadjiwa zichzelf zo te kijk zette, nerveus.

Vanaf het ogenblik dat haar man de smeekbeden van de raden ajoe afwijst, raakt Léonie steeds meer uit haar doen en als De stille kracht zich daadwerkelijk openbaart, is het met Léonie gedaan. Beroemd is de badkamerscène waarin Léonie, naakt, door onzichtbare monden met sirih wordt bespuwd. Léonie, Theo, Doddy en vrijwel alle bedienden vluchten weg. Van Oudijck blijft achter en wordt het doelwit van de vreemdste gebeurtenissen; de crisis is ingetreden.

Voor de tweede keer lijkt alles alsnog goed te kunnen komen: ‘Hij wist, dat hij - dezen keer - de stille kracht was te krachtig geweest, alleen door zijn eenvoudigen moed van ambtenaar, Hollander en man.’ Dit komt de spanning van het verhaal natuurlijk ten goede. Even lijkt alles weer te worden zoals het was, maar al spoedig blijkt er toch iets te zijn veranderd.

We zijn aangekomen bij de beslissende wending, de peripeteia, als Van Oudijck tot het inzicht komt (de anagnorisis) dat er een stille kracht bestaat: ‘Het was bij hem opengestraald als met eén schrik van openbaring, geheel in strijd met al de logiek van zijn geleidelijk leven.’ Door met de regent en de raden ajoe te praten, geeft Van Oudijck in feite toe waar hij tot dan toe Oost-Indisch blind voor is geweest: dat er een stille kracht bestaat en dat het menselijk bestaan dus niet beheersbaar, niet maakbaar is.

Van Oudijck's hele levensfilosofie stort in en hij begrijpt niets meer van zichzelf: ‘Nu - na de nachtmerrie, die hij moedig had overwonnen - scheen het of tòch de nachtmerrie hem uitgeput had en hem had ingegeven allerlei zwakte.’ Anderzijds is hij niet meer blind voor wat zich voor zijn neus afspeelt. Na de anagnorisis volgt de neergaande beweging, de ontknoping of lusis, die leidt tot de catastrofe, de ondergang van de resident. Hij neemt ontslag en vestigt zich als een ‘verloren Europeaan’ te Garoet.

Daar zoekt Eva Eldersma hem nog eenmaal op, vóór zij naar Europa vertrekt. In een komedie, stelt Aristoteles in zijn Poëtica, zijn personages doorgaans slechter dan in het dagelijkse leven en in een tragedie juist beter. Is Couperus door deze regel op het briljante idee gekomen van een deugdzame overheerser (Van Oudijck) en een onsympathiek slachtoffer (Soenario)?

Hoe dan ook, de held, Van Oudijck, is een klassieke held, zoals Shakespeare's King Lear of Vondels Gijsbrecht of zoals Oedipous, dat wil zeggen, een fatsoenlijke figuur, die maatschappelijk in hoog aanzien staat, en die slechts één karakterfout heeft waaraan hij ten onder gaat. In een klassieke tragedie veroorzaakt de held ‘een fatale storing van de natuurlijke orde’. In Van Oudijcks geval: hij gelooft niet aan de stille kracht.

De ondergang van Van Oudijck is zo tragisch, omdat hij sympathiek is. Hij leeft voor zijn werk, werkt met hart en ziel voor de belangen van zijn gewest en schenkt daarom weinig aandacht aan zijn emoties: ‘Hij was niet gewoon zich over te geven aan mijmeringen over zichzelven: hij had het te druk.’ Hij is een sympathieke man die kennelijk slechts één zwakte heeft: zijn blindheid.

En deze blindheid wordt hem, net als de hoofdpersoon in het Oedipous-verhaal, fataal. Oedipous weet niet wie zijn ouders zijn en zo kan het gebeuren dat hij, terwijl hij het beste met iedereen voor heeft, zijn vader vermoordt en met zijn moeder naar bed gaat. Doordat Oedipous bepaalde dingen niet weet, is hij, net als Van Oudijck, blind voor de gevolgen van zijn eigen daden.

Hij had thuis die volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en bekwaam in betrekking en werkkring [...], maar bijziende thuis [...] Hij kende noch vrouw, noch kinderen. Oedipous in de dessa. Van Oudijck heeft met recht een blind vertrouwen in het zichtbare, in de ratio, in feiten, in het verklaarbare. Daardoor kan hij geen vat krijgen op mensen die zich laten beïnvloeden door iets vaags en onbetrouwbaars als hun emoties.

‘Er was met geen reden te grijpen dat men zoo deed,’ denkt Van Oudijck bijvoorbeeld over de anonieme en ‘nijdige’ brieven die hij ontvangt, want ‘er was geen logica in’. Beslissingen die genomen worden door gevoelens, bestaan in het leven van Van Oudijck eenvoudig niet. Daarom merkt hij niets van wat zijn vrouw en dochter achter zijn rug allemaal uitvoeren en heeft hij niet in de gaten dat zijn zoon Theo hem zelfs haat.

Van Oudijck wordt gedreven door een tragische vergissing: hij gelooft dat alles in de wereld geheel en al logisch en verklaarbaar is. En dus beheersbaar. Deze vergissing (hamartia) als mens tegenover de goden wordt veroorzaakt door overmoed (hybris). Van Oudijcks vergissing maakt hem tot een speelbal van het noodlot, van de stille kracht.

De held neemt vervolgens de verantwoordelijkheid voor zijn ordeverstoring op zich en wordt opgenomen in een proces van heroïsch lijden dat hem tot waanzin of zelfmoord brengt, of tot louterend inzicht en verzoening. In Van Oudijcks geval komt de held vooral tot louterend inzicht en verzoening. Van Oudijck erkent namelijk uiteindelijk dat er dingen zijn die hij niet kan verklaren.

Aan het eind van het verhaal heeft Van Oudijck zijn idealen opgegeven, de welvaart van zijn gewest, zijn loopbaan en zijn gezin: hij scheidt van zijn vrouw, Doddy mag met Addy trouwen, wat hij het hele boek door wilde voorkomen. Toch eindigt Van Oudijck betrekkelijk gelukkig. Daar waar Oedipous zich de ogen uitsteekt, daar gaan bij Van Oudijck juist de ogen open. Hij is niet meer blind voor het leven en in staat om te berusten.

‘Het land heeft zich van mij meester gemaakt en ik behoor het nu toe.’ Hij beseft dat hij zijn gezin niet meer bij elkaar kan houden en neemt ontslag uit het Binnenlands Bestuur. Als Eva hem opzoekt in Garoet heeft hij eindelijk wel een gezinsleven: ‘En weet u wat het vreemde is?’, zegt Van Oudijck dan. ‘Hier heb ik mijn huiselijken kring ...’

Als Léonie in het begin terugkeert uit Batavia, leren wij een vrouw kennen die in volkomen harmonie met zichzelf lijkt te leven. ‘Zij stelde belang alleen in haar eigen lichaam en in hare eigen ziel; àl het andere was haar totaal onverschillig.’ Toch heeft zij geen slecht karakter. Zij is egoistisch, maar niet kwaadaardig. Léonie en Van Oudijck hebben volstrekt tegenovergestelde karakters. Daar waar Van Oudijck stereotiep mannelijk is, is Léonie stereotiep vrouwelijk.

Léonie en Van Oudijck zijn in veel opzichten elkaars tegenpolen, maar één ding hebben zij gemeen: zij zijn beiden onaantastbaar. En hun onaantastbaarheid brokkelt bij beiden af tot zij uiteindelijk gebroken zijn. Hun kracht blijkt juist hun zwakte. Léonie, eerst een priesteres van haar lichaam, wordt een slavin van haar lichaam. Léonie gaat ten onder volgens hetzelfde klassieke handelingsschema als Van Oudijck.

Eva, met Léonie de belangrijkste bijfiguur, lijkt op Van Oudijck: beiden zijn idealistisch en beiden zijn zeer ‘Westersch’. Een belangrijk verschil is echter dat Eva zich in het Oosten niet thuis voelt: ‘Ik voel, dat ik - persoonlijk - ver van Indië af blijf staan, al wil ik het niet ...’ Al doet zij haar best, zij kan niet van Indië houden. Van Oudijck wel.

Aan het slot van De stille kracht blijft Van Oudijck in Indië. Eva weigert zich aan te passen. Tegelijkertijd voelt zij langzaam dat zij verslagen wordt in de strijd met het land, ‘dat hare natuur niet sympathisch was.’ Zij weet het wel: ‘Zij kende het land niet, zij zoû de menschen nooit kennen.’

De grootse muziek van Wagner, het toppunt van Europese beschaving in het fin de siècle, klinkt belachelijk in Indië, wordt overstemd door de zware regenval. De piano is vals door de vochtigheid en er wandelen kakkerlakken tussen de snaren. Een tweede belangrijk verschil tussen Van Oudijck en Eva is dat zij de aanwezigheid van een geheimzinnige kracht voelt. Van Oudijck merkt daar niets van, ontkent het in ieder geval.

Ondanks haar montere en ondernemende karakter voelt zij zich leeg en eenzaam in een omgeving die steeds vijandiger lijkt te worden. Zij zoekt haar heil in het organiseren van recepties voor Van Oudijck, van toneelstukken en fancy fairs, in de vriendschap met de Rantzow's, de Doorn de Bruijn's, het echtpaar Van Helderen - waarvan zij eigenlijk alleen Frans van Helderen werkelijk aardig vindt.

Aanwinsten Letterkundig Museum

Het Letterkundig Museum heeft in het verslagjaar diverse literaire documenten verworven, waaronder alle versies van het scenario door Gerard Soeteman van W.F. Hermans' Onder professoren. Deze aanwinsten zijn van groot belang voor de studie van de Nederlandse literatuur en filmgeschiedenis.

Overzicht van Aanwinsten

Naast het scenario van Soeteman, verwierf het museum documenten van onder meer:

  • Uitgeverij De Arbeiderspers
  • Ad den Besten
  • Pieter A.W. van Delft
  • Adriaan van Dis
  • P.A.H.J. Gerversman
  • Marie-Louise Doudart de la Grée
  • Uitgeverij De Harmonie
  • Mien de Heer
  • Henk Kooijman
  • Sjoerd Kuyper
  • Uitgeverij Kwadraat
  • Sjoerd Leiker
  • Hans Lodeizen
  • Vereniging Herman de Man
  • Charlotte Mutsaers
  • Rob Nieuwenhuys
  • Jos Panhuijsen
  • Jan Pen
  • Karel van het Reve
  • Lydia Rood
  • E. Straat
  • Vereniging van Letterkundigen
  • J.J. Voskuil
  • Theun de Vries
  • Leo Vroman
  • H.A. Wage
  • Cornelis Wilkeshuis
  • Joost Zwagerman

labels:

Zie ook: