Aardappelen zijn een veelzijdige en geliefde groente die in veel tuinen wordt geteeld. Om een goede opbrengst van hoge kwaliteit te behalen, is een doordachte bemesting essentieel. Dit artikel biedt een uitgebreid overzicht van de verschillende aspecten van aardappelbemesting, zodat u optimaal kunt profiteren van uw teelt.

Het Belang van Bemesting

Het doel van de bemesting van consumptieaardappelen is het behalen van een goede opbrengst van hoge kwaliteit. Voor het bereiken van een financieel optimaal resultaat moeten de toegediende meststoffen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt.

De bemesting met stikstof (N) is van groot belang voor de opbrengst van alle gewassen en dus ook van aardappelen. De productie van droge stof is direct afhankelijk van de beschikbaarheid van stikstof. Dit komt doordat stikstof een onderdeel is van de eiwitten in het bladgroen (chloroplasten).

Deze eiwitten "vangen" de energie uit het zonlicht en gebruiken die voor de productie van koolhydraten. Stikstof beïnvloedt ook indirect de productie van droge stof. Stikstof versnelt de loofgroei, waardoor eerder volledige grondbedekking en daardoor een maximale productie wordt bereikt.

Daarnaast zorgt stikstof ervoor dat het loof langer groen blijft. Ook daardoor kan gedurende het seizoen meer licht worden onderschept, waardoor de droge-stofproductie wordt verhoogd.

De Rol van Stikstof

De bemesting met stikstof (N) is van groot belang voor de opbrengst van alle gewassen en dus ook van aardappelen. De productie van droge stof is direct afhankelijk van de beschikbaarheid van stikstof.

Stikstof beïnvloedt ook indirect de productie van droge stof. Stikstof versnelt de loofgroei, waardoor eerder volledige grondbedekking en daardoor een maximale productie wordt bereikt. Daarnaast zorgt stikstof ervoor dat het loof langer groen blijft.

Ook daardoor kan gedurende het seizoen meer licht worden onderschept, waardoor de droge-stofproductie wordt verhoogd. Wanneer de stikstofgift echter te ver wordt opgevoerd, wordt er meer loof gevormd dan voor een maximale knolproductie noodzakelijk is.

Bovendien wordt dan de periode van knolgroei naar later in het seizoen verschoven. Wanneer vroeg wordt geoogst, kan hierdoor de knolopbrengst lager zijn. Vooral wanneer een hoge stikstofbemesting loofdoding in een onrijp gewas nodig maakt, is een lagere opbrengst het gevolg.

Ook kan teveel loof legering veroorzaken, waardoor de mate van grondbedekking afneemt en er minder licht kan worden onderschept. Een tweede nadeel van een (te) hoge stikstofgift is het negatieve effect op diverse kwaliteitseigenschappen.

Het gaat dan om eigenschappen als onderwatergewicht, bakkleur, grauwkleuring en het nitraatgehalte. Milieuaspecten Wanneer consumptieaardappelen behoorlijk zijn afgerijpt, kan het loof meestal met alleen loofklappen worden vernietigd.

In een erg onrijp gewas is het moeilijk of onmogelijk om het loof geheel mechanisch te doden. Een hoge stikstofbemesting veroorzaakt op deze manier een hoger verbruik van chemische loofdodingsmiddelen.

Stikstofbemesting: Richtlijnen

In onderstaande tabellen zijn economische richtlijnen voor de stikstofbemesting voor consumptieaardappelen op klei- en zandgrond en industrieaardappelen op zandgrond weergegeven. En de richtlijnen die meer rekening houden met een aantal van de eerder beschreven nadelige effecten die hoge stikstofgiften kunnen hebben op opbrengst, kwaliteit, inzet van bestrijdingsmiddelen en verliezen van stikstof.

De mineralisatie is een belangrijke factor die altijd optreedt. De omvang ervan wordt bepaald door het organische-stofgehalte van de grond, de teelt van groenbemesters, het (langdurig) gebruik van organische mest en het weersverloop.

Toch is het met behulp van gewasanalyse wel mogelijk tijdens het groeiseizoen enige controle en bijsturing uit te oefenen.

Tabel 1. Richtlijnen voor de hoogte van de stikstofbemesting (kg N per hectare) voor consumptieaardappelen op klei- en zandgrond en industrieaardappelen op zandgrond
Bestemming Richtlijn (kg N/ha)
Consumptieaardappelen, kleigrond 285 - 1,1 * (N-mineraal 0-60 cm)
Consumptieaardappelen, zandgrond 300 - 1,8 * (N-mineraal 0-60 cm)
Aardappelen voor de droogindustrie, zandgrond 275 - 1,8 * (N-mineraal 0-60 cm)

Tabel 2. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op een groot aantal proeven met het ras Bintje. Bij het opstellen van de richtlijnen is uitgegaan van een prijsverhouding van 1:10 (prijs van 1 kg stikstof = prijs van 10 kg aardappelen).

De voor zand- en kleigrond verschillende richtlijnen zijn vastgesteld zonder rekening te houden met de teelt van groenbemesters en het gebruik van organische mest.

Met deze laatste twee posten moet apart rekening worden gehouden, zoals in het navolgende nog wordt besproken. In de richtlijnen wordt de voorraad minerale stikstof (N-mineraal) die in het voorjaar (februari-maart) in de bodem wordt aangetroffen, afgetrokken van de totaal benodigde hoeveelheid stikstof.

Deze voorraad kan worden bepaald door een grondmonster te laten onderzoeken.

Praktische Tips voor Bemesting

Een vruchtwisseling van minimaal 1 op 4 jaar is belangrijk om ziekten, plagen, aaltjes, Phytophthora en schimmels zoveel mogelijk te voorkomen. Aardappelen laten na de oogst een grond met een goede structuur na; na de aardappeloogst is de grond zelfs hier op onze vette klei mooi los en rul en nog zeer geschikt voor een nateelt (bijvoorbeeld voor op-het-nippertje-late stamsperzieboontjes, venkel, koolrabi, herfstandijvie, postelein, sla, etc.).

Hoewel aardappelen op alle grondsoorten gekweekt kunnen worden hebben ze een voorkeur voor een neutrale tot iets zure grond (de ideale pH voor kleigrond is 6 en voor zandgrond is 5). De vroegste rassen doen het heel goed op zandgrond omdat die grond in het voorjaar sneller opwarmt en minder nat blijft dan kleigrond.

Aardappelen zijn redelijk gulzige planten maar de behoefte aan kalium (voor de ontwikkeling van de knollen) is relatief hoog ten opzichte van de behoefte aan stikstof (voor bladgroei).

En daarom bedekken we de grond in de winter met paardenmest met veel stro erin. In het voorjaar schuiven we dat opzij en voegen compost toe. We geven een kleine hoeveelheid samengestelde organische meststof wanneer we de aardappelen poten.

Rond mei geven we vervolgens nog wat kalium (bijvoorbeeld vinassekali) voor de ontwikkeling en groei van de knollen. In plaats van mest met stro kun je natuurlijk ook bladeren, halfrijpe compost, etc. gebruiken als mulchlaag.

Teveel stikstof, door een verkeerde bemesting met een meststof met een hoog stikstofgehalte - zoals bloedmeel of kunstmest kalkamonsalpeter, chilisalpeter, etc.) kan veel loof maar weinig en kleine aardappelen geven. Daarnaast is de kans op phytophthora en aantasting door de coloradokever groter.

Het Belang van Vroegtijdige Planning

Het advies van Vandermoere aan telers is om voorafgaand aan de aardappelteelt een goed bemestingsplan te maken. Allereerst is het belangrijk om in beeld te hebben wat de stikstofbehoefte van een ras is. Zo ligt de behoefte van een vroeg aardappelras op 190 kilo stikstof per hectare, maar heeft een laat ras 290 kilo stikstof per hectare nodig.

Stikstofleverende factoren zijn bijvoorbeeld de bodem, gewasresten, depositie uit de lucht en beregeningswater. Daarnaast adviseert de PCA-onderzoeker om de basisbemesting in late aardappelen te verlagen en bij te bemesten op advies.

Methoden voor Stikstofmeting

Voor nauwkeurige bemesting per perceel kunt u tijdens het groeiseizoen metingen verrichten aan het gewas. Vanaf drie weken na opkomst kunt u de stikstofsituatie laten bepalen via een nitraatmeting in de bladstelen. Door deze metingen elke zeven tot tien dagen uit te voeren, volgt u het gewas op de voet.

Bladsteeltjesmethode

De bladsteeltjesmethode maakt het mogelijk om gedurende de beginontwikkeling van het gewas te meten of het gewas over voldoende stikstof beschikt. De uitslag kan worden getoetst met behulp van een normlijn voor het nitraatgehalte.

Wanneer de uitslag boven de normlijn valt, dan hoeft niet te worden bijgestrooid. Valt de uitslag onder de normlijn, dan moet wel stikstof worden bijgegeven.

Het al of niet bijstrooien van de laatste 40 kilo stikstof hangt af van de uitslag van de bladsteeltjesbemonstering. In veel gevallen blijkt het bijstrooien van stikstof niet nodig te zijn, zodat de totale stikstofgift lager kan blijven en op de kosten van stikstof wordt bespaard.

Droogte kan er de oorzaak van zijn dat het gewas niet in staat is om voldoende stikstof op te nemen, terwijl er in de bodem wel voldoende stikstof aanwezig is.

Wanneer bij droogte lage stikstofgehaltes in de bladsteeltjes worden gevonden, moet niet zonder meer stikstof worden bijgestrooid. Ter controle is het dan nuttig om een grondmonster op stikstof te onderzoeken. Wanneer de bodem voldoende stikstof blijkt te bevatten, hoeft geen stikstof te worden gestrooid.

Er is dan alleen voldoende vocht nodig om de aanwezige stikstof voor het gewas beschikbaar te laten komen. Is dat vocht er niet dan moet bij voorkeur - indien mogelijk - beregend worden.

Stikstofbijmestsysteem (NBS)

Het Bedrijfslaboratorium voor Grond- en Gewasonderzoek te Oosterbeek heeft een systeem ontwikkeld dat is gebaseerd op grondmonsters. In dit systeem worden vanaf 3 à 4 weken na opkomst met tussenpozen enkele grondmonsters op stikstof onderzocht om vast te stellen of de bodem voldoende stikstof bevat om het gewas tot het eind van het seizoen voldoende groen te houden.

Voor een goed inzicht zijn in de regel monsternames op meerdere tijdstippen nodig.

Meststoffen en Toepassingen

Stikstof kan in verschillende vormen worden toegediend. Een deel van de stikstof kan worden gegeven in de vorm van dierlijke mest. Voor de optimale bemesting van consumptieaardappelen kan dierlijke mest worden gebruikt als een gedeeltelijke vervanger van kunstmest.

Wanneer kunstmest wordt gebruikt, is dat bij de eerste gift vaak in de vorm van een mengmeststof (bijvoorbeeld 23-23-0) of in de vorm van kalkammonsalpeter (kas). Deze eerste gift wordt bij voorkeur minimaal enige weken voor het poten toegediend. Een eventuele tweede gift zal vrijwel altijd in de vorm van kas worden gegeven.

Gedurende het groeiseizoen kan ook met stikstof worden bemest door bespuiting van het loof met ureum of urean. Dit kan voordelig zijn wanneer door droogte weinig stikstof kan worden opgenomen of een tweede gift niet tot werking zou komen.

Aardappelen poten

Wanneer kan je je aardappelen poten? Zodra de grond warm genoeg is en er geen nachtvorst meer wordt verwacht, kan het gekiemde pootgoed de grond in. Om het planten te vergemakkelijken, maak je de grond net voor het planten het beste nog even goed los.

Bij het aanplanten doe je er goed aan voldoende kalium in het plantgat mee te geven, bijvoorbeeld in de vorm van DCM Tuinkali / Tuinpotas. Kalium bevordert immers de vruchtvorming en zorgt voor dikke, stevige en smakelijke aardappelen.

Plant de aardappelen in rijen. Zorg voor voldoende afstand tussen de rijen (± 70 cm), zo kan je je aardappelplanten achteraf gemakkelijker aanaarden. Maak plantgaten van zo’n 5 cm diep. In lichte grond (zandgrond) mogen ze zelfs iets dieper zijn (tot 10 cm). Respecteer een afstand van 30 tot 50 cm tussen de plantgaten. Leg vervolgens in elk plantgat een knolletje. Let erop dat de knolletjes met de mooiste scheut naar boven liggen.

Aanaarden en bemesten

Een paar weken nadat je je aardappelen gepoot hebt, zie je meestal de eerste stengels met blaadjes boven de grond verschijnen. Zodra de bovengrondse stengels ongeveer 15 cm hoog zijn, is het tijd om je aardappelplanten aan te aarden. Dat betekent dat je de grond rond de stengels aan beide kanten van de plantrij gaat ophogen.

De jonge stengels zullen hierdoor grotendeels bedekt worden met aarde. Indien er nog nachtvorst verwacht wordt, mag je ze zelfs volledig bedekken. Zo zorg je voor extra bescherming. Het aanaarden herhaal je het beste nog een tweetal keren, telkens na 3 à 4 weken.

Tijdens het aanaarden doe je er goed aan om ook meteen een kaliumrijke voeding toe te dienen. DCM Meststof Aardappelen is een puur organische voeding met een hoog kaliumgehalte.

labels: #Aardappel

Zie ook: