Het lied "Op U, mijn Heiland, blijf ik hopen" is een adventslied. De oorspronkelijke titel is "O du mein Trost und süsses Hoffen", een lied van Carl Wilhelm Osterwald (1820-1887) en vertaald door Everard Egidius Gewin (1843-1909). De melodie is van Johann Wolfgang Franck (1644-1710).

Een derde vertaling, van A. J. Hoogenbirk begint met "O Gij, mijn troost en blijde hope". Daarnaast is er nog een vertaling van Dirk Christiaan Meijer jr, met als beginregel "O Gij, mijn troost, mijn zielsverlangen".

De Liederen voor de Gemeentezang schrijven de vertaling (van Gewin met een enkele modernisering, met 3 strofen) toe aan S.M. van Woensel Kooy, maar dit is onjuist.

De slotregel van het lied van Simeon geeft precies weer waarom het gaat bij de komst van de Messias van Israël, die ook Heiland der wereld is. Dus is het goed om daar steeds weer van doordrongen te raken.

Simeon in de Tempel

Om met de twee laatste vragen te beginnen: Simeon spreekt ze uit, en hij doet dat bij de ‘voorstelling in de tempel’, dus wanneer Maria en Jozef met hun kind Jezus op het tempelplein zijn. Ze treffen daar de hoogbejaarde profetes Hanna aan - haar leeftijd wordt aangeduid - en zij was meestal in de tempel te vinden. Ze treffen ook Simeon. Zijn leeftijd wordt niet genoemd, en dat hij in de tempel is, wordt als werking van de Geest gezien.

Van hem wordt gezegd dat hij rechtvaardig en vroom is en dat hij uitziet naar de vertroosting voor Israël. De Geest rustte op hem (vs. De Geest openbaart hem iets (dat hij niet sterven zou, voordat..vs. De Geest drijft hem naar de tempel (vs.

Wat ook opvalt is dit: Lukas gebruikt hier zijn Hebreeuwse naam: Simeon, terwijl elders vooral de vergrieksing wordt genoemd: Simon. Alsof Simeon als vertegen­woordiger van de Tenach op de drempel staat van een tijd waarin Simon (Petrus) het Evangelie vertegenwoordigt. Tussen die twee zit een continuïteit. Beide namen gaan terug op een werkwoord dat ‘horen’ betekent (vgl. Samuël), al wordt er wel een grenslijn getrokken.

Want Simeon spreekt over een beëindiging van iets. Maar waarvan dan? Allereerst: afgaande op het begrippenpaar despotes-doulos kan het hier betekenen: vrijlating uit de slavernij. Die vrijlating is in Israël een mogelijkheid, en zelfs een voorschrift. Men denke aan het sabbatjaar (elk zevende jaar) of het jobeljaar (elk vijftigste jaar), waarin slaven moesten worden vrijgelaten.

Vervolgens: in een wat afgeleide zin zou het ook kunnen betekenen: Nu ontheft Gij mij van mijn dienstwerk/taak/opdracht. Dat zou in algemene termen kunnen gelden van de taak die Simeon zich wist gesteld: het uitzien naar de vertroosting/bemoediging/aansporing (van paraklesis) van Israël (vs. 25). Het voorwerp van de verwachting is nu immers gekomen en zichtbaar in dit kind Jezus.

Tenslotte: een derde mogelijkheid gaat een totaal andere kant uit: Simeon ziet het einde van zijn leven aangebroken. Het begrippenpaar ‘heengaan in vrede’ is dan een verzachtende uitdrukking voor sterven. Er wordt dan een verband gelegd met vs. 26 waar staat dat hij niet zou sterven voordat hij de Messias (Christus) van de Here zou hebben gezien. Vandaar dat sommigen van mening zijn dat Simeon een oud man was.

Dat wordt hier niet gezegd, en het heengaan in vrede zal eerder iets van een eervolle ontheffing van de taak zijn geweest, want zijn werk gaat over­genomen worden door de Messias Jezus. Hij wordt als een wachter, een soldaat, afgelost. Die woorden sluiten aan bij de belofte van vs. 26 dat hij de Messias van de Here zou zien.

Heil voor Alle Volken

Hier wordt dat heil, redding genoemd. Hier wordt het gezegd over alle volken, met inbegrip van Israël. Nu is het opvallend dat hier een woord voor ‘volken’ wordt gebruikt, dat doorgaans wordt toegepast op het volk Israël. Om het onderscheid aan te geven gebruikt de Naardense Bijbel voor Israël het woord ‘gemeenschap’ of ‘gemeente’. Zie maar naar vs. 32b, waar hetzelfde woord staat: uw volk (gemeente) Israël.

Als het over de andere (heiden)volken gaat, wordt er ook een ander woord gebruikt -volk(en)- en dat komen we dan ook tegen in vs. 32a: licht tot openbaring van de volken. Dat woordgebruik sluit aan bij wat doorgaans in het Hebreeuws wordt onderscheiden. Israël wordt meestal met am en de andere, heidense volken met gojiem aan­geduid. Dat is in het Grieks overgenomen. Voor het volk Israël: laos, voor een ander volk: ethnos.

Waarom wordt dat in vs. 31 niet voor alle volken gebruikt? Wel, het zal erom gaan dat alle volken tot het heil en de glorie van Israël zullen komen. Want het heil is uit de Joden. De uitdrukking ‘licht voor de volken’ treffen we ook aan bij de profeten.

Te denken is aan Jesaja 42:6: ‘Ik heb u gesteld tot een licht der natiën’ (NBG). Zo ook Jesaja 49:6. Nu staat er echter iets bij: Tot openbaring van de (heiden-) volken. ‘Open­baring’ (apokalypsis) is veelal vertaald met ‘verlichting’, en dat lijkt me toch iets te zwak.

Een letterlijke weergave geeft hier een goede zin, zeker wanneer het gelezen wordt tegen de achtergrond van Jes. 25:7. Het zal dan gaan over de sluier van de onwetendheid, de onkunde omtrent Gods heil. Ook daar wordt gesproken over alle volken, voor wie een feestmaal is aangericht. Tegelijk wordt daar ook iets anders gezegd: de smaad van zijn volk wordt weggenomen.

Het woord doxa wordt met glorie/roem/ heerlijkheid/eer vertaald. Het is de weergave van het Hebreeuwse woord kabod, en de betekenis van dat woord gaat toch iets meer in de richting van gewicht, importantie.

De profetische woorden van belofte vinden, naar de woorden van Simeon, hun vervulling in de pasgeboren Jezus. Intussen is het opvallend, dat hier alle volken ter sprake komen. Als je afgaat op de woorden laos en ethnos vindt er een merkwaardige verschuiving plaats. De ontsluiering van de heiden­volken, en de deelname van Gods eigen volk Israël zijn beide resultaat van Gods reddend ingrijpen, en maken dat de heiden­volken door de HEER worden toegeëigend tot zijn volken. Samen mogen ze er zijn tot eer (doxa) aan God in den hoge; en dan mogen ze ook samen vrede brengen op aarde (vgl. vs.

labels: #Ei

Zie ook: