Elke economische activiteit heeft impact op het milieu. Een van de manieren om de impact in cijfers uit te drukken is het berekenen van de carbon footprint, oftewel de CO2 voetafdruk. Volgens voedsel- en landbouworganisatie FAO van de Verenigde Naties, zou 14,5% van de wereldwijde carbon footprint van vleesproductie en veehouderij komen. De carbon footprint geeft een schatting van het broeikaseffect.
Het belangrijkste broeikasgas is kooldioxide, oftewel CO2, dat ontstaat bij het gebruik van energie uit fossiele brandstoffen, zoals olie en gas. Voor de footprint van het ‘eindproduct’ vlees tellen alle onderdelen van het hele productieproces mee: niet alleen de slachterij en de vleesbewerking, maar dus ook de boerderij, de productie van veevoer en de teelt van voergewassen.
Broeikasgasemissies en Vleesproductie
De veehouderij draagt direct en indirect bij aan klimaatverandering. De FAO schat (in: ‘Tackling climate change through livestock’, 2013) dat de vleesproductie en veehouderij verantwoordelijk is voor 14,5 procent van alle door menselijke activiteiten veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen. Direct door de uitstoot van broeikasgassen.
Daarvan komt (internationaal) het meeste van vleesrunderen (41%) en melkrunderen (19%). Varkensvlees en pluimvee (kip en ei) zijn goed voor 9 en 8%. Vaak wordt een gedateerd rapport van de FAO uit 2006 geciteerd (‘Livestock’s long shadow’). Daarin staat dat de wereldwijde vleesproductie verantwoordelijk is voor 18% van alle CO2 uitstoot.
Hoe zorgt de vleesproductie voor broeikasgassen?
Wereldwijd levert de teelt van voedergewassen en de productie van diervoeders de grootste bijdrage: 45%. Ook het vrijkomen van verteringsgassen, zoals methaan, bij herkauwers (39%) en omzetting van mest (10%) zijn belangrijke bronnen. Let wel: dit zijn gemiddelden. De FAO ziet dat er grote verschillen zijn. De genoemde percentages verschillen sterk van land tot land. Volgens FAO is een forse daling gemakkelijk haalbaar.
De productie en uitstoot van broeikasgassen is niet te meten, maar wordt berekend. Als het goed is, houdt dit rekening met de verschillen in de vleesproductie en veehouderij. Zo is de extensieve vleesveehouderij in Argentinië niet te vergelijken met de moderne vleeskalfverhouderij in Nederland.
De vleesindustrie werkt met de WUR mee aan een Europese standaard voor een uniforme rekenmethodologie en een database voor alle grondstoffen en systemen/processen. Dat is belangrijk, want vrijwel elk land heeft in het internationale klimaatakkoord van Parijs (in 2016) beloofd de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Volgens het ministerie van Economische Zaken (RVO) bedraagt de emissie van broeikasgassen in Nederland ca. 195 Mton CO2-equivalenten (cijfers 2015). De veehouderij neemt hiervan circa 7,5% voor zijn rekening.
Nederlandse boeren produceren meer vlees en zuivel per ton veevoer dan hun collega’s in andere landen. Het gebruik van enkelvoudige grondstoffen, zoals granen, zorgt voor een relatief grote footprint voor vleesproductie. Het benutten van reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie beperkt dat.
Nederlandse bedrijven gebruiken steeds minder energie. Er wordt in toenemende mate zelfs energie opgewekt. De verwerkende industrie produceert stroom en biodiesel uit mest en slachtafval.
Wat betreft de carbon footprint van rundvlees is er een fors verschil tussen vleesrunderen en de (Nederlandse) ‘dubbeldoel’ runderen voor melk én vlees. Van al het Nederlandse rund- en kalfsvlees komt 96% van dieren uit de melkveehouderij (zuivel). Dat zijn kalveren die niet benut (kunnen) worden als melkkoe, maar ook (uitgemolken) melkkoeien. Rundvlees en kalfsvlees zijn in Nederland te zien als bijproducten van de zuivelsector. Op elke liter melk wordt zo’n 22,5 gram vlees geproduceerd. De internationale zuivelorganisatie IDF rekent dat 87% van de uitstoot van de melkveestapel is toe te rekenen aan melk en 13% aan vlees.
De carbon footprint gaat over de mate waarin productie- of bedrijfsprocessen bijdragen aan het broeikaseffect. Als het thema dierenwelzijn onderdeel is van duurzaamheid, kan dat lastiger worden. Wat (volgens mensen) fijn lijkt voor het dier, is niet altijd beter voor het milieu. Koeien in de wei stoten meer broeikasgassen uit dan koeien op stal.
Biologisch vlees heeft daarom niet per definitie een kleinere footprint dan ‘gangbaar’ vlees. Biologisch betekent ook: geen kunstmest, geen chemische bestrijdingsmiddelen en aanvullende voorwaarden voor dierenwelzijn.
Uit de analyse van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en Wageningen UR blijkt dat in Nederland al grote stappen zijn gezet. De veehouderij heeft wereldwijd een verwoestende impact op het milieu. In dit artikel beschrijven we de impact op het klimaat, biodiversiteit en andere milieuproblemen. Ook gaan we in op de impact op de volksgezondheid.
Klimaatverandering en de Rol van de Veehouderij
In de afgelopen 150 jaar is de gemiddelde temperatuur op aarde met 1°C toegenomen. Gemiddeld neemt de mondiale temperatuur nu met 0,2°C per decennium toe. Het huidige mondiale beleid om klimaatverandering tegen te gaan is onvoldoende. De uitstoot van broeikasgassen neemt nog steeds toe. Alleen de coronacrisis zorgt voor een kleine terugval.
Als de trends in de uitstoot van broeikasgassen niet veranderen, zal in 2100 de mondiale temperatuur met gemiddeld 5°C gestegen zijn ten opzichte van de temperatuur in het pre-industriële tijdperk. Klimaatexperts waarschuwen dat een opwarming boven de 1,5 - 2°C gevaarlijk is. Er zullen onomkeerbare gevolgen optreden. We krijgen te maken met voedseltekorten door slechtere of mislukte oogsten, overstromingen, hitte en droogte en daardoor directe doden, maar ook massamigraties en gewapende conflicten.
Het is bittere noodzaak omdat te voorkomen. Vleesproductie heeft een groot aandeel in de opwarming van het klimaat. Van alle uitstoot van broeikasgassen wereldwijd is minstens 14,5% afkomstig van de veehouderij. Dat aandeel is groter dan het aandeel van de totale transportsector. Dit blijkt uit onderzoek van de FAO (Food and Agriculture Organization of the United Nations). Een ander onderzoek van de FAO komt uit op 18% en er zijn ook onderzoeken die stellen dat de bijdrage van de veehouderij aan klimaatverandering nog groter is.
De intensieve veehouderij stoot veel CO2 uit dankzij haar industriële productiesystemen, maar nog schadelijker is de uitstoot van de sterkere broeikasgassen methaan (CH4) en lachgas (N2O). Koeien en andere herkauwers produceren methaan bij hun spijsvertering. Ook indirect draagt de veehouderij bij aan klimaatverandering. Dat gebeurt door ontbossing om ruimte te maken voor landbouw: vooral voor het verbouwen van veevoer. Dit gebeurt vooral in Zuid-Amerika in de Amazone op enorme schaal.
Plantaardig eten is verreweg het beste wat je kunt doen als je je eigen impact op het klimaat wil verkleinen (in het geval dat je nog niet plantaardig eet). Het levert meer klimaatwinst op dan niet vliegen of niet autorijden.
Impact op Biodiversiteit en Milieuproblemen
De vergroting van de veestapel en de bijhorende toename van landbouwgronden heeft als gevolg dat er veel habitats verdwijnen. De grootste groei van de veeteelt is bovendien in landen met een grote biodiversiteit, waardoor veel plant- en diersoorten in snel tempo verdwijnen. Ook in de oceanen zijn veel soorten in hun voortbestaan bedreigd. Met het huidige tempo van visvangst zullen er in 2050 geen commerciële vissoorten meer zijn.
Vervuiling door (kunst)mest, ziektekiemen, restanten van antibiotica en uitstoot van ammoniak zijn ook factoren die de biodiversiteit bedreigen. Het verlies aan biodiversiteit bedreigt ook het welzijn van de mens. De productie van dierlijke producten heeft een enorme impact op allerlei andere milieuproblemen. De lijst is te lang om op te noemen. Bij vrijwel ieder milieuprobleem is de veehouderij een hoofdveroorzaker. In Nederland en België is door de hoge dichtheid van vee de mestproductie een groot probleem.
Fosfaten en nitraten, afkomstig van mest, spoelen door naar het grond- en oppervlaktewater. De concentratie van mineralen in grond- en oppervlaktewater neemt aanzienlijk toe. Dit proces, dat ook wel eutrofiëring wordt genoemd, draagt voor een groot deel bij aan de verzuring van water en bodem. Vermesting van oppervlaktewater heeft de afgelopen tientallen jaren gezorgd voor uitbundige kroos- en algengroei.
De productie van dierlijke voeding vraagt enorme hoeveelheden veevoer en water. Plantaardige voeding vraagt veel minder grondstoffen. De productie van een sojaburger van 150 gram vereist 160 liter water. Gemiddeld vereist 1 calorie uit dierlijke producten ongeveer 2,5 liter water. Zoals gezegd bij het stuk over klimaat is de vraag naar veevoer ook een grote oorzaak van ontbossing. Een duizelingwekkende 91% van de vernietiging van het Amazonewoud is te wijten aan de veehouderij.
Er wordt vooral soja verbouwd op de grond die eerst regenwoud was. Het is een illusie dat deze soja geproduceerd wordt voor sojaproducten voor veganisten.
Impact op de Volksgezondheid
De impact op de volksgezondheid zit niet alleen in de consumptie van dierlijke producten, hoewel dat een grote boosdoener is. Zo heeft het consumeren van rood en bewerkt vlees als gevolg dat je een verhoogd risico hebt op dikkedarmkanker. Er zijn ook bewijzen van links met alvleesklierkanker en prostaatkanker.
Onderzoek wijst uit dat plantaardige voeding het risico op diabetes type II, coronaire hartziekten en bepaalde soorten kanker verlaagt. Door mensen plantaardig te voeden zouden jaarlijks zo’n acht miljoen mensen minder komen te overlijden vanaf 2050. Nu sterft 1 op de 10 niet-plantaardige eters door het feit dat ze niet plantaardig eten. Indien we in 2050 wereldwijd volledig plantaardig zouden eten, zullen er 10% minder vroegtijdige sterftes zijn.
Er zijn echter meer negatieve gevolgen, zoals de uitstoot van fijn stof. Meestal gaat het om kleine deeltjes uit mest, die diep in de longen kunnen binnendringen en daar schade aanrichten. Fijn stof zorgt in Nederland voor duizenden doden per jaar (belangrijke bronnen zijn ook kolencentrales en wegverkeer).
Een groot gevaar voor de volksgezondheid is het grootschalige gebruik van antibiotica in de veehouderij en de daarmee gepaard gaande toenemende resistentie van bacteriën. Momenteel sterven reeds 50.000 mensen per jaar in Europa en de VS aan infecties door antibiotica-resistente bacteriën. Wetenschappers waarschuwen daarnaast al jaren voor het risico op zoönosen: van dier op mens overdraagbare infectieziekten. Het coronavirus is hier een voorbeeld van. Het resulteerde in een wereldwijde pandemie.
Onderzoeksbureau Ecorys berekende dat de maatschappelijke kosten van de schade van de Nederlandse vee-industrie aan natuur, klimaat en gezondheid in jaarlijks 6,6 miljard euro is.
Tot slot: de veehouderij is een aanslag op de levens van miljarden dieren.
De Nederlandse Context
Als Nederland het klimaatakkoord van Parijs wil halen (40 procent minder CO2-uitstoot in 2030), moeten we ook de uitstoot van broeikasgas door voedselconsumptie beperken. De consumptie van rood en bewerkt vlees is van invloed op de gezondheid: het hangt samen met een verhoogd risico op chronische ziekten zoals beroerte, diabetes type 2 en darm- en longkanker. De richtlijn van de Gezondheidsraad is om van rood vlees maximaal 300 gram per week te eten.
Vlees, en met name rundvlees, heeft van alle voeding de grootste impact op het milieu. Dit komt door de uitstoot van broeikasgassen door de dieren.
Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is 11 procent van de totale hoeveelheid broeikasgassen die Nederland uitstoot (lachgas, methaan en koolstofdioxide) afkomstig uit de veeteelt. Overigens eten we al dat vlees niet zelf op: ruim driekwart van in Nederland geproduceerd vlees is voor de export.
Maar: ‘Als je de Nederlandse veestapel verdeelt over de inwoners, dan zou elke inwoner bijna 5 kippen en een eigen varken hebben; per 4 personen zouden we een koe bezitten,’ schrijft Milieu Centraal. Per jaar wordt er voor elke Nederlander circa 76 kilo vlees geproduceerd (rund, varken en kip samen), ruim twee keer zoveel als vijftig jaar geleden. De laatste jaren eten Nederlanders wel steeds minder vlees. De afgelopen tien jaar was de daling circa 5 procent en nog maar een kwart eet iedere dag vlees bij de hoofdmaaltijd.
Landgebruik en Veevoer
Voor de productie van een kilo biefstuk is gemiddeld 25 kilo voer nodig, en dat moet ergens groeien. Van het mondiale landbouwareaal is 75 procent in gebruik voor de productie van veevoer en als grasland. Dit is veel, want vlees, zuivel en eieren leveren slechts 17 procent van alle calorieën die de wereld tot zich neemt. Helaas heeft de wereld niet heel veel geschikte landbouwgrond over, tenzij we nog meer regenwoud kappen.
Ook de Nederlandse vleesconsumptie (dus niet wat we produceren en exporteren) vraagt relatief veel grond, met name in Brazilië. In totaal is voor het produceren van alle Nederlandse consumptie circa 10 miljoen hectare grond nodig - drie keer het Nederlandse landoppervlak.
Bijna de helft van onze voetafdruk betreft zo landbouwgrond voor de productie van voedsel. De productie van vlees, zuivel en eieren vraagt bovenproportioneel veel ruimte: 2 miljoen hectare.
De uitstoot van broeikasgassen en het dreigende ruimtegebruik zijn niet de enige schadelijke gevolgen van onze vleeslust. Zo leidt de huidige manier van veeteelt ook tot mestoverschotten, overmatig gebruik van antibiotica en vragen al die dieren en het telen van hun voer veel water.
Milieubelasting per Dier
Runderen (of preciezer geformuleerd: de productie van rundvlees) vragen ook de meeste ruimte en stoten de meeste broeikasgassen uit (met name omdat ze veel methaan produceren), gevolgd door varkens en kippen. Een biefstuk heeft dan ook een grotere milieu-impact dan een kipfiletje.
De schade kan overigens aardig in de papieren lopen: twee flinke entrecotes leiden tot evenveel broeikasgassen als een autorit van Amsterdam naar kippenepicentrum Barneveld.
Braziliaans rundvlees leidt tot meer broeikasgassen (43 kilo CO2-equivalenten per kilo vlees) dan Nederlands rundvlees (31 kilo CO2-equivalenten per kilo vlees).
De Weg naar Duurzamere Voeding
Minder vleesconsumptie is volgens enkele onderzoeken dan ook onvermijdelijk om te proberen de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden Celsius en een groeiende wereldbevolking te voorzien van voldoende veilig en betaalbaar voedsel. Concreter: wanneer alle Europeanen vegetarisch zouden eten (geen vleesproducten en eieren), behaalt de EU al voor 2020 de helft van haar milieudoelstellingen.
Recent onderzoek berekende dat als de wereldbevolking zou overstappen op een vleesarm dieet (maximaal 43 gram rood vlees per dag), de mondiale uitstoot van voedselgerelateerde broeikasgassen in 2050 met 7 procent is toegenomen, in plaats van de voorspelde 51 procent (waarbij aangenomen wordt dat de mondiale vleesconsumptie met 75 procent toeneemt, in lijn met de voorspellingen van de FAO).
Een gemiddelde Nederlandse maaltijd bestaat voor 70 procent uit groenten en aardappel, pasta of rijst en voor 30 procent uit vlees. Verschuif je deze verhouding van 80 procent plantaardig en 20 procent vlees of vis, dan bespaar je 9 procent van jouw totale CO2-uitstoot voor voeding.
Doe je dit een jaar, dan staat je besparing gelijk aan zeven jaar koken op een elektrische kookplaat of vijf jaar lang je koelkast aan laten staan. Kassa. Een verschuiving van 30 naar 20 procent vlees op je bord zul je nauwelijks proeven, maar misschien heb je geen tijd om je gehaktballen en hamlapjes nauwkeurig te wegen.
Je kunt het ook eenvoudiger houden en bijvoorbeeld twee dagen per week vegetarisch eten. Je vermindert dan je voedinggerelateerde CO2-uitstoot met ruim 6 procent. Eet je elke dag vegetarisch, dan is de besparing 20 procent .
Steeds meer mensen gaan meer vlees eten, en de ecologische voetafdruk van die vleesconsumptie is groter dan de aarde aankan.
Alternatieven en Keuzes
Minder (rood en bewerkt) vlees en vaker vegetarisch eten past bij een gezond en duurzaam eetpatroon. Steeds meer Nederlanders willen minder vlees eten. Dat is ook nodig: als we binnen de grenzen van de planeet willen blijven met ons eetpatroon, dan past 1 portie vlees per week.
De productie van vlees veroorzaakt over het algemeen veel meer milieuschade dan die van plantaardig eiwitrijk eten. Zo is voor de productie van vlees vaak veel meer land nodig dan voor de productie van plantaardige eiwitrijke producten. Daarnaast zorgt vleesproductie voor veel meer uitstoot van en voor verzuring van de bodem en de lucht.
Dat geldt ook voor vleesvervangers die gemaakt zijn van zuivel. Naast milieuproblemen speelt ook dierenwelzijn een rol bij de productie van vlees. Een plantaardig alternatief kiezen voor vlees is daarom een goede keuze.
Om voldoende eiwitten binnen te krijgen zijn peulvruchten en noten de beste keuze voor het klimaat. Ga stap voor stap wanneer je het lastig vindt om vlees in te ruilen voor een alternatief. Kijk bij de keuze voor eiwitrijke producten naar de klimaatimpact van het product. Wil je toch vlees? Ga dan voor kip. Van alle vleessoorten heeft kip de laagste klimaat- en milieubelasting. Wees zuinig met kaas als alternatief voor vlees.
Het Voedingscentrum raadt aan om voor je gezondheid 1 keer per week (vette) vis te eten. Eiwitten zijn een niet te missen onderdeel van je voedingspatroon. Ze bevatten belangrijke aminozuren. Deze bouwstenen voor je lichaam maak je zelf niet aan, maar heb je wel nodig om gezond te blijven. In het gemiddelde Nederlandse eetpatroon zitten meer dierlijke eiwitten dan gezond is. Voor de meeste mensen is vaker vegetarisch eten gezonder.
Vlees en vis bevatten naast eiwit ook mineralen (ijzer, zink, fosfor, selenium, magnesium) en vitamines B en D. Met uitzondering van vitamine B12 zitten deze stoffen ook in plantaardige producten. Vitamine B12 krijg je bij een vegetarisch dieet binnen via zuivel en eieren. Vleesvervangers zijn een gezonde keuze als deze voldoende eiwit, ijzer en vitamines B1 en B12 bevatten. Let goed op de voedingswaarde.
Een gevarieerd vegetarisch eetpatroon (voldoende groente, fruit, brood, aardappelen, graanproducten, peulvruchten, noten, zuivel, eieren en volwaardige (kant-en-klare) vleesvervangers) levert voor de meeste mensen alle voedingsstoffen die het lichaam nodig heeft. Eet je veganistisch en dus helemaal geen dierlijke producten? Dan is het belangrijk om vitamine B12 in te nemen in de vorm van supplementen.
Koop je vlees, eieren of zuivel en wil je rekening houden met milieu én dierenwelzijn? Er is vlees te koop met Topkeurmerken: Europese keurmerk voor biologisch (het groene blaadje), EKO, Demeter of het Beter Leven Keurmerk 2 of 3 sterren. Deze keurmerken garanderen een betere omgang met dieren dan wettelijk is voorgeschreven.
Bij kringlooplandbouw worden grondstoffen optimaal gebruikt. Het streven bij kringlooplandbouw is dat vee alleen restproducten eet uit de akkerbouw, tuinbouw en voedingsmiddelenindustrie. Of gras van niet voor akkerbouw geschikte graslanden. De mest van de dieren dient als grondstof om nieuwe producten mee te verbouwen.
De productie van vlees en zuivel belast het milieu over het algemeen meer dan plantaardige alternatieven. Er is meer energie, mest, water en landoppervlak voor nodig. Daarnaast zorgt de veehouderij voor meer uitstoot van broeikasgassen en stikstof. Deze komen bijvoorbeeld vrij uit mest. Ook stoten herkauwers zoals koeien en schapen veel methaan (een heel sterk broeikasgas) uit.
Voor de productie van vlees is veel veevoer nodig. Bijvoorbeeld vier kilo voor een kilo kippenvlees en zelfs 25 kilo voor een kilo rundvlees. De productie van veevoer kost veel grondstoffen, bestrijdingsmiddelen, kunstmest en landoppervlak. Soms gaat veevoerproductie (bijvoorbeeld soja) gepaard met ontbossing, hoewel er steeds meer duurzaam geteelde soja wordt ingekocht in de veehouderij.
Veeteelt zorgt ook voor stikstofuitstoot. Wanneer stikstof neerslaat in kwetsbare natuur, zorgt dat voor verstoring van het evenwicht in de natuur (ecosysteem). Hierdoor neemt de biodiversiteit af. In Nederland liggen intensieve veehouderij en natuur vaak dichtbij elkaar en komt dit dus vaker voor.
Huidige trends in vleesconsumptie
In 2020 geeft 5 procent van de 18-plussers (630 duizend personen) in het onderzoek Belevingen aan nooit vlees te eten; 3 procent eet geen vlees maar wel vis (de pescotariërs), 2 procent eet ook geen vis (de vegetariërs). Een volledig plantaardig dieet komt met 0,4 procent (53 duizend personen) nog zeer weinig voor.
Het overgrote deel van de bevolking (95 procent) eet dus nog wel vlees maar het is lang niet altijd dagelijkse kost: 45 procent van de 18-plussers eet maximaal 4 dagen in de week vlees, bij de warme maaltijd, als broodbeleg of als snack. Zij worden hier als ‘flexitariër’ beschouwd.
35 procent van de 18-plussers zegt in het afgelopen jaar minder vlees te zijn gaan eten dan daarvoor, hetzij door vleesloze dagen in te lassen, hetzij door kleinere porties vlees te eten. 37 procent van de vleeseters vindt dat hij/zij eigenlijk (nog) minder vlees zou moeten eten.
Bijna twee op de drie vleeseters willen hun vleesconsumptie niet opgeven. Bijna de helft van de 18-plussers eet helemaal geen vlees of maximaal 4 dagen per week; 16 procent doet dit om onder andere het klimaat minder te belasten.
Zo is bij personen die helemaal geen vlees eten (de pesco- en vegetariërs) het dierenwelzijn het belangrijkste motief; 71 procent geeft aan dat dit een van de redenen is om geen vlees te eten; bij 48 procent is dat ook het enige of belangrijkste motief. Het milieu of klimaat wordt weliswaar ook door veel niet-vleeseters genoemd (59 procent), maar dit is voor slechts 20 procent de belangrijkste reden.
Flexitariërs geven juist relatief vaak aan dat gezondheidsvoordelen (37 procent) en een verminderde behoefte of het niet zo lekker vinden (34 procent) meespelen bij hun keuze om beperkt vlees te eten. Het klimaat of milieu en het dierenwelzijn worden beide door 30 procent van de flexitariërs als reden genoemd.
Het totaalbeeld is dat personen die helemaal geen vlees eten vaker meerdere redenen hiervoor hebben, met de nadruk op dierenwelzijn en klimaat of milieu. Stedelingen eten vaker pesco- of vegetarisch en flexitarisch dan plattelandsbewoners. Hoogopgeleiden doen dit vaker dan laagopgeleiden, en vrouwen vaker dan mannen.
Jongeren (tot ongeveer 35 jaar) eten iets vaker pesco- of vegetarisch, terwijl ouderen (vanaf ongeveer 55 jaar) juist vaker flexitarisch eten.
Hoogopgeleide flexitariërs geven het vaakst aan flexitarisch te eten vanwege het klimaat. Van hen geeft 60 procent vaak dat dit een reden is om beperkt vlees te eten. Van de laagstopgeleide flexitariërs geeft 12 procent dat aan.
Conclusie
De impact van vleesproductie op het milieu is aanzienlijk en omvat klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en gevolgen voor de volksgezondheid. Het verminderen van de vleesconsumptie en het kiezen voor duurzamere alternatieven kan een positieve bijdrage leveren aan het milieu en de gezondheid.
Tabel 1: Eiwitrijke producten op een schaal van laag naar hoog in kilo's veroorzaakte CO2-uitstoot (per kilo bereid product).
| Product | CO2-uitstoot (kg per kg) |
|---|---|
| Peulvruchten | Laag |
| Tofu | Laag |
| Vleesvervangers | Laag tot Midden |
| Eieren | Midden |
| Kip | Midden |
| Varkensvlees | Hoog |
| Kaas | Hoog |
| Rundvlees | Zeer hoog |
labels: #Vlees
Zie ook:
- BBQ Alternatieven bij Regen: Binnen Genieten van de BBQ Smaak!
- Chatar Worst Slecht? Alles wat je moet weten over veiligheid en houdbaarheid
- Aluminiumfolie BBQ: Is Het Schadelijk? Feiten & Alternatieven
- Ontdek Waarom Vlees Je Gezondheid Schade Doet – Onmisbare Feiten en Belangrijke Overwegingen!
- Waarom Het Verbod op Levend Koken van Kreeften een Gamechanger is voor Dierenwelzijn!
- Ontdek JJ's Lunch & Diner Hilversum: Een Onvergetelijke Culinaire Belevenis!




