In Nederland kun je veel verschillende soorten tuinvogels spotten. Een paar van de meest voorkomende tuinvogels in Nederland zijn onder andere: de huismus, merel, koolmees, pimpelmees, houtduif, vink, roodborst, spreeuw, ekster en de gaai. Dit zijn maar een paar van de meest voorkomende tuinvogels. Het is erg leuk om vogels te observeren en te leren herkennen in je eigen tuin, balkon of in de natuur.

Vogels doen niets anders dan de hele tijd in de gaten houden of er ergens gezonde voeding te halen valt. Ze kunnen het zien en ruiken, maar houden daarbij ook andere vogels in de gaten. Zodra ze zien dat er ergens 'wat te halen valt' gaan ze snel een kijkje nemen. Ondertussen communiceren ze met soortgenoten om te laten weten dat er voedsel gevonden is. In een mum van tijd is het een drukte van jewelste en wordt het voer al kwetterend opgegeten.

Het plaatsen van voedertafels kan helpen om meer vogels naar je tuin te lokken. Maar wat geef je welke vogel?

Duurzame vogeltips

Super dat je vogels door de winter wilt helpen! Hier zijn enkele duurzame tips om rekening mee te houden bij het voederen van vogels:

  • Geen netje om de vetbollen: Koop geen vetbollen in plastic netjes. Grotere vogels eten namelijk in hun ‘gierigheid’ ook het netje op dat om de vetbol zit, als ze het er niet snel genoeg uit kunnen halen. Ook kan het netje om de kop komen of aan een nagel blijven hangen.
  • Geen brood of gekookt eten: Wist je dat brood helemaal niet goed is voor een vogel? In brood zit zout en daarnaast nog andere toevoegingen die niet goed zijn voor vogels. Daarnaast verdwijnt er een deel van het brood in het water en dat heeft weer onderwatergevolgen. Vogels eten in de natuur geen gekookt of op een andere manier bewerkt voedsel, geef het ze daarom liever niet.
  • Geschikte plek: Voer op een plek waar een vogel veilig kan opvliegen als hij schrikt van bijvoorbeeld een kat. Sommigen op de grond, anderen in een boom, iedere vogel zoekt op een andere plek voedsel (foerageren).
  • Geen geverfde of geïmpregneerde huisjes: Gangbare verf bevat allemaal chemicaliën die na verloop van tijd afbladderen en in je tuin en in het vogelvoer terechtkomen. Maak ze liever zelf of koop producten die met ecologische verf zijn behandeld.
  • Vers, schoon water: Vers water is erg belangrijk voor vogels, om te drinken en zichzelf te wassen, vooral als het vriest. Maak de waterbak (en voederbakjes) regelmatig goed schoon met groene zeep om het verspreiden van ziektes te voorkomen.
  • Geef geen grote hoeveelheden voer: Zelfs als het beschermd ligt wordt vogelvoer vochtig. Het gaat dan schimmelen en dat is niet goed voor tuinvogels en zonde van je geld. Tip: start met een beetje en naarmate er meer vogels komen eten, geef je meer.
  • Voorkom ongedierte: Sommige muisjes (en andere dieren rond onze huizen) vinden zaden en pitten ook heerlijk. Door elke dag een portie de geven die de vogels opeten, trekt het geen dieren die je misschien liever niet hebt.

Welke vogel eet wat?

In elke tuin kun je vogels aantreffen, maar het aantal en de soorten zijn sterk afhankelijk van het voeder dat je aanbiedt. Vogels zijn kieskeurig, zowel qua type voedsel als de plek waar het wordt aangeboden. Sommige vogels pikken graag zaden van de grond, terwijl anderen liever een voederplank bezoeken.

Hieronder een overzicht van wat je de meest voorkomende tuinvogels in de winter kunt voeren:

  • Huismus (Passer domesticus): Vogelzaadmix (gierst en haver), zonnebloempitten, ongezouten pinda’s, vetbollen met zaden en noten.
  • Merel (Turdus merula): Stukjes appel, ongezwavelde rozijnen en krenten, gedroogde meelwormen, vetbollen met zaden en noten, levende wormen.
  • Koolmees (Parus major): Meelwormen, zonnebloempitten, ongezouten pinda’s, vetbollen, insectenmix, stukjes appel, peer en bessen.
  • Pimpelmees (Cyanistes caeruleus): Zonnebloempitten, ongezouten pinda’s, vetbollen met vet en zaad, meelwormen, insectenmix, stukjes bio appel, peer en bessen.
  • Roodborst (Erithacus rubecula): Insecten en larven (meelwormen), zaden (zonnebloempitten, ongekookte havermout, gierst, lijnzaad, sesamzaad), stukjes appel, peer of bessen, vetbollen met zaden en noten, ongezouten pinda’s.
  • Houtduif (Columba palumbus): ‘Gevogeltemengsel’ van zaden en granen (tarwe, gerst, gierst en haver), erwten (gedroogde en verse), maïs (gedroogde en verse), zonnebloempitten, ongezouten pinda’s.
  • Vink (Fringilla coelebs): Zonnebloempitten, ongezouten pinda’s, vogelzaadmix (gierst, haver en andere zaden), gierst, kleine zaden en granen, vetbollen met kleine zaden en stukjes noten.
  • Spreeuw (Sturnus vulgaris): Insecten, larven, meelwormen of andere insecten, stukjes mager vlees zonder zout, zonnebloempitten, stukjes appel, peer en bessen.
  • Ekster (Pica pica): Insecten en larven, meelwormen of andere insecten, stukjes mager vlees zonder zout, zonnebloempitten, stukjes appel, peer en bessen.
  • Vlaamse Gaai (Garrulus glandarius): Zonnebloempitten, ongezouten pinda’s, fruit (appels, peren en bessen), noten (hazelnoten en walnoten), insecten, larven en rupsen, meelwormen of ander insectenvoer, rauw ei (af en toe).

Wist je dat je aan de vorm van de snavel kunt afleiden wat vogels het liefst eten? Een groene specht boort zijn lange snavel in het gazon op zoek naar mieren, terwijl de merel met zijn lange scherpe snavel regenwormen uit de grond haalt. Vinken en groenlingen hebben krachtige, korte snavels om harde zaden en pitten te kraken. Vogels met dunne snavels, zoals de bonte specht en boomklever, pikken insecten van de schors van bomen.

In het vroege najaar, vooral op warme dagen, zijn er nog genoeg insecten en bessen te vinden. Maar naarmate de dagen korter worden, neemt het aanbod af. In de natuur wordt voedsel schaarser, dus aanvullend voer is voor vogels dan bijzonder welkom!

Hoe kan je best voederen?

Om het voeder steeds vers te houden, voeder elke dag in kleine hoeveelheden. Zaden en vetversnaperingen kunnen beschimmelen en ziektekiemen ontwikkelen als ze te lang buiten hangen of liggen. Is het voeder in de loop van de dag op, dan kan je altijd nog wat bijvoederen.

Biedt een ruim assortiment voedsel aan want niet alle vogels eten hetzelfde. Geef geen eten waar zout in verwerkt is! Voorzie een voederplank, hang een pindavoedersilo op en strooi wat zaden op de grond zodat er voor elk wat wils is. Een voederplank met een dak heeft het voordeel dat het voedsel langer vers blijft.

Hoe lok je vogels naar je voederhuisje?

Vogeltjes voelen zich dus niet zomaar overal op hun gemak. Daarom is het belangrijk om een zo veilig en comfortabel mogelijke plek voor ze te creëren. Hier kun je een voederplaats of vogelhuisje voor gebruiken.

Kleine vogels zijn kieskeurig en eten niet zomaar alles wat er op hun pad komt zoals eksters, kraaien of meeuwen dat wel doen. Leg daarom dus ook niet zomaar van alles op een voedertafel. Dit gaat uiteindelijk rotten of trekt muizen en ratten aan.

Hier zijn enkele tips voor het voeren van vogels:

  • Water in de tuin: Naast voer is water ook erg belangrijk voor de vogels. Zorg daarom altijd voor een schaal met vers drinkwater.
  • Pinda's: Voer alleen pinda's die geschikt zijn voor vogels, niet die in de supermarkt bij de chips liggen!
  • Zaden voeren: Zaden kunnen het beste worden aangeboden in speciale voedersystemen om verspilling en verontreiniging te voorkomen.
  • Vetbollen voeren: Hang niet teveel bollen in de tuin maar beperk het tot enkele vetbollen.
  • Hygiëne: Maak daarom geregeld alle voedersystemen, voedertafels en waterschalen goed schoon. Je kunt het beste gebruik maken van een biologisch afbreekbaar, desinfecterende middel.

Hoe weten vogels waar eten is?

Vogels kunnen prima ruiken. Verder scheelt het reukvermogen wel enorm per soort. Door toeval, een vogel vliegt toevallig langs en ontdekt het. De meeste vogels hebben een vaste route als ze weten waar wel eens voer kan hangen. Het is een mooi staaltje van evolutie!

Conclusie

Door de vogels te voorzien van geschikt voer draag je tevens een steentje bij aan het op peil houden van het teruglopende aantal van veel algemene vogelsoorten, zoals bijvoorbeeld de huismus. Want vogels vinden steeds minder geschikte voedselplekken omdat onze bebouwde kom steeds dichter wordt bebouwd. Braakliggende terreinen met zadenrijke planten en insecten maken steeds vaker plaats voor beton en asfalt.

labels:

Zie ook: