Aardappelen zijn in areaal het belangrijkste akkerbouwgewas. In 2020 bestond 76729 hectare uit consumptieaardappelen, 43807 hectare uit pootaardappelen en 45.106 hectare uit zetmeelaardappelen. Het areaal consumptieaardappelen is in vergelijking met 2019 met 2,7% gekrompen, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Maar de opbrengst van de consumptieaardappelen (48,6 ton per hectare) lag in 2020 ongeveer 1,4% hoger dan in 2019. In totaal werden er in 2020 3,2 miljoen consumptieaardappelen geproduceerd - ongeveer even veel als in 2019 - 1,3 miljoen pootaardappelen en 1,8 miljoen fabrieksaardappelen.

Nederlandse akkerbouwers halen dit jaar gemiddeld 41 ton aardappelen per hectare van het land. Dit betreft zowel consumptieaardappelen als pootgoed. In de Europese Unie (EU) haalt Frankrijk dit jaar met 42 ton per hectare de hoogste aardappelopbrengsten. Ook in Denemarken (41,4 ton per hectare), Duitsland (41 ton per hectare) en België (40 ton per hectare) worden bovengemiddelde hectareopbrengsten behaald. De aardappelopbrengsten in Tsjechië (26 ton per hectare) en Polen (27,5 ton per hectare) zijn respectievelijk 13 en 11 procent lager dan vorig jaar en voor beide landen ook beneden het vijfjarig gemiddelde.

Factoren die de opbrengst beïnvloeden

De gemiddelde opbrengst van consumptieaardappelen ligt op de 52 ton per hectare, maar de variatie daaromheen is groot. Onderzoeker Paul Ravensbergen van Wageningen University & Research onderzocht twee jaar lang maar liefst 96 verschillende percelen in hun verschil in opbrengst en hun kenmerken. Welke factoren beïnvloeden de opbrengst het meest?

Ravensbergen gebruikt hiervoor de opbrengstkloof. Dat is het berekende verschil tussen de werkelijke opbrengst en de hoogst haalbare opbrengst. Die laatste bepaalde Ravensbergen door uit modellen te bepalen wat er op een perceel maximaal te oogsten viel onder optimale groeiomstandigheden. Dit deed hij twee jaar, in 2020 en 2021. De onderzoeker zag dat telers soms die optimale oogst behaalden, en soms maar circa 50 procent daarvan. In tonnen gemeten: de opbrengst varieerde van grofweg 40 tot 80 ton per hectare.

Irrigatie en drainage zijn cruciale factoren voor een goede oogst, deelt Ravensbergen in zijn proefschrift. Op zandgrond bleef de opbrengst vooral achter door droogte, in het natte jaar juist door ziektes. Op kleigronden bleef de opbrengst, zeer waarschijnlijk, juist achter door te veel water in het natte seizoen. Niet verrassend, maar wel relevant in het maken van optimale keuzes. „Je kunt dan bijvoorbeeld beter kiezen voor optimale inzet van extra irrigatie op de beste velden, zodat je daar met een beetje hulp de meeste winst in opbrengst haalt.

Ook plantdatum maakt veel uit, maar alles tegelijk de grond in lukt natuurlijk niet. Wat ook opviel was de beperkte invloed van de hoeveelheid bemesting. Als een bepaalde minimum bemesting maar behaald werd, dan gaf extra bemesting toevoegen weinig winst in opbrengst. „Soms willen telers aan de veilige kant zitten met hun bemesting, maar mijn onderzoek laat zien dat al snel andere factoren belemmerend zijn in de groei. Je aardappel kan dan niet meer extra opnemen.” Bij Fontane lag die grens rond 200 a 250 kg stikstofmest per hectare.

Vroege consumptieaardappelen

In dit deel van de teelthandleiding consumptieaardappelen wordt ingegaan op de teelt van vroege consumptieaardappelen. Bij de teelt van vroege aardappelen is het doel om al vroeg een goede opbrengst te hebben. Vroege (primeur) aardappelen worden in ons land slechts op beperkte schaal geteeld, hoofdzakelijk in waterrijke gebieden, waar het risico van nachtvorst gering is. De teelt is geconcentreerd in Noord-Holland en in Zuidwest-Nederland met Tholen als centrum.

Voor de allervroegste teelt zijn Eersteling en Doré nog steeds de meest geteelde rassen. Gloria en Première worden iets later geoogst. Voor een vroeg gewas is tijdig poten, zo kort mogelijk na de winter, dat wil zeggen vanaf eind februari, van belang. Dit vormt een beperking voor de keuze van de grond. De grond moet al vroeg bewerkbaar zijn. De stikstofbemesting van vroege aardappelen is met 110 - 150 kg N per ha aanmerkelijk lager dan die van laatrijpende rassen. Hoe korter het groeiseizoen des te minder stikstof nodig is.

Voor vroege aardappelen, die in juni of in de eerste helft van juli moeten worden geoogst, is de voorbehandeling van het pootgoed essentieel. Er is een goed voorgekiemde, fysiologisch tamelijk oude poter nodig. Voor de primeurteelt met oogsttijd eind mei (met plasticafdekking) of juni is een beperkt aantal stengels per knol gewenst. Hierdoor wordt bij vroeg oogsten en een niet te kleine poter ( > 35 mm), met een nog relatief lage kilogramopbrengst per ha toch al een voldoende grove sortering verkregen.

Primeuraardappelen worden vanaf eind februari, zodra de bodemomstandigheden gunstig zijn, gepoot. Dit gebeurt bij voorkeur halfautomatisch of met kiemvriendelijke volautomatische pootmachines. Na de rugopbouw wordt meestal een herbicide toegepast in een lage dosering. Voor de zeer vroege primeurteelt wordt met plastic afgedekt. Daar groeiremming moet worden voorkomen, wordt zo mogelijk in een droge periode beregend. De gewasbescherming wijkt niet veel af van die van late consumptieaardappelen: er moet preventief tegen Phytophthora worden gespoten; luisbestrijding is meestal niet nodig.

Afdekking van de ruggen met plasticfolie, vanaf het poten tot enige tijd na opkomst, biedt de mogelijkheid om het gewas 7 - 10 dagen te vervroegen. Dit leidt op gelijke datum tot een gemiddeld vijf ton hogere opbrengst per ha. Meestal wordt geperforeerd polyethyleenfolie van 0,03 mm dikte met 5% perforaties gebruikt. Het folie wordt na rugopbouw en een herbicidenbehandeling machinaal gelegd in 1,50 meter brede banen.

Opbrengstcijfers en statistieken

Deze tabel geeft per akkerbouwgewas informatie over de beteelde- en de geoogste oppervlakte, de opbrengst per hectare en de totale opbrengst in een oogstjaar. De gegevens zijn beschikbaar op nationaal-, landsdeel-, en provincie-niveau.

Om tot het cijfer voor de opbrengst te komen wordt eerst een voorlopige oogstraming gemaakt. Deze inschatting van de opbrengst vindt plaats in de maanden augustus tot en met oktober afkomstig van een inventarisatie van teeltadviesbureau Delphy. De cijfers van de definitieve oogstraming, die gebaseerd zijn op een enquête onder een steekproef van bedrijven met akkerbouwgewassen, worden eind januari gepubliceerd. De opbrengsten per hectare zijn afgerond op 100 kilogram, de totale opbrengsten op 1000 kilogram.

Bij de bepaling van de opbrengst per hectare (de gemiddelde opbrengst) wordt alleen gerekend met de hectares die daadwerkelijk geoogst zijn of nog geoogst zullen worden (geoogste oppervlakte). Hectares die beteeld waren maar waarvan de opbrengst verloren is gegaan (bijvoorbeeld door wateroverlast) tellen dus niet mee.

Tot de totale opbrengst (totale bruto productie) behoort alles wat geoogst is of (vermoedelijk) geoogst gaat worden. Tot de totale opbrengst behoort ook dat deel van de productie dat om bijzondere redenen niet geschikt is voor zijn oorspronkelijke bestemming. Dit geldt echter alleen als het nog wel voor andere normale bedrijfsdoeleinden kan worden aangewend (bijv. aardappelen, die alleen nog voor veevoeder te gebruiken zijn). Hierdoor is de totale bruto opbrengst niet gelijk aan de handelsproductie.

Pootaardappeloogst in 2022 hoger dan in 2021 in de Kleiregio. In de Kleiregio kwamen in 2022 de gemiddelde kg-opbrengsten van pootaardappelen met gemiddeld bijna 40 ton per ha een kleine 4 ton per ha boven het gemiddelde van de voorgaande vijf jaar (2017-2021) terecht. Voor de Zandregio was de gemiddelde kg-opbrengst 33 ton per ha, ruim 3 ton per ha hoger dan de voorgaande vijf jaar. In de Kleiregio is per ha gemiddeld bijna 50 ton consumptieaardappelen in 2022 geproduceerd. Dit was vergelijkbaar met het gemiddelde van de vijf voorgaande jaren. Ten opzichte van 2021 was het 1,5 ton meer.

Hogere graanoogsten in 2022. De belangrijkste graansoorten, wintertarwe en zomergerst, behaalden in 2022 over het algemeen fysieke opbrengsten die hoger lagen dan het vijfjaarlijks gemiddelde. Op akkerbouwbedrijven in de Kleiregio werd in 2022 gemiddeld 10 ton wintertarwe per ha geoogst. Dat was 1,8 ton per ha meer dan in 2021 en bijna 10% meer dan het gemiddelde van de vijf voorgaande jaren. Op akkerbouwbedrijven in de Zandregio werd 9,4 ton wintertarwe per ha geoogst, wat voor zandgrond 1,7 ton per ha meer was in vergelijking met het voorgaande jaar en ongeveer 15% meer was dan het gemiddelde in de vijf voorgaande jaren.

Agrico en de ontwikkeling van aardappelketens in Afrika

Van 6 naar 36 ton opbrengst per hectare. En een inkomen dat ineens van zo’n € 1.000 per hectare in de min naar ruim € 4.000 per hectare in de plus schiet. Agrico richtte in 2012 Agrico East-Africa op om pootgoedexport naar én vooral de licentieteelt in dit gebied op gang te krijgen.

Een publiek-privaat collectief van de overheid en een aantal Nederlandse bedrijven, met Agrico als spilpartij. Dit collectief nam in Kenia het initiatief voor het opzetten van een rendabele en duurzame aardappelketen die bijdraagt aan de voedselzekerheid in dit land. Agrico is toeleverancier van pootgoed voor de keten en heeft de revenuen voor vermeerdering en licentieteelt geborgd in de lokale joint-venture Potato Service Africa. Door te telen met kwalitatief hoogwaardig pootgoed en een goede kennisbegeleiding kunnen de beoogde 12.500 kleine bedrijven hun aardappelopbrengst wel tot zes keer vergroten. Hiermee krijgt Kenia een substantiële economische stimulans waarmee de levensstandaard van deze inwoners en hun omgeving wordt vergroot.

De gemiddelde opbrengst bij de deelnemende boeren is gestegen van 6 naar 36 ton per hectare. Bij deze boeren steeg het inkomen van min € 840 naar plus € 4.300 per hectare. Droogte en overstromingen hebben de opbrengst nog gedrukt.

De interventie in Kenia is hét voorbeeld van hoe je met een aardappelwaardeketen handelsbevordering, ontwikkelingssamenwerking én duurzaamheid hand-in-hand kunt laten gaan. Je biedt hulp aan arme Keniaanse boeren in de vorm van uitgangsmateriaal en begeleiding, maar ook afzet: ze gaan dus serieus geld verdienen. 60 procent van de boeren in Kenia is vrouw, dus ook voor het versterken van de positie van vrouwen in Afrika helpt dit geweldig.

Als boeren geld gaan verdienen, dan komen ook de investeringen: gaan ze machines kopen, fabriekjes bouwen om de aardappelen te verwerken, dus die keten gaat werken. Dat is goed voor de groei van Agrico in licentieteelt, zoals vastgesteld in groeistrategie 2030. Maar het helpt ook geweldig om de doelstellingen voor duurzaamheid van onze coöperatie te realiseren: hetzelfde areaal aan aardappelen brengt nu zes keer zoveel op. Oftewel: voor dezelfde kilo’s aardappels in de winkel heb je zes keer minder land en zes keer minder water nodig.

Deze ketenaanpak is onze algemene visie voor landen waarin gewone export moeilijk te realiseren is. In landen in ontwikkeling in Afrika, maar ook Azië en Zuid-Amerika willen we dus soortgelijke waardeketens opzetten. Zoals we het nu in Kenia doen, is een manier om een markt te benaderen. Je exporteert pootgoed en gaat dat lokaal vermeerderen. Maar er zijn landen die om bepaalde redenen zeggen: er mag gewoon geen pieper bij ons binnen. Daar kom je alleen binnen met reageerbuisplantjes. Die ga je lokaal verknippen, daar komen aardappelplantjes van en daarmee produceer je dan miniknolletjes, die uiteindelijk pootgoed worden. Zo ga je lokaal de markt opbouwen. Dit doen we bijvoorbeeld in India.

Als je de situatie van boeren in dit soort landen structureel wilt verbeteren, moet je waardeketens gaan creëren waarin je boeren toegang geeft tot moderne aardappelrassen, kennis, technologie, markten, afname en finance. Zo krijgt een land meer voedselzekerheid, de lokale boeren gaan erop vooruit, de druk op schaarse bronnen wordt wereldwijd verminderd en de pootgoedafzetmogelijkheden voor boeren in Nederland worden groter.

Het totale geschatte aardappelareaal in Kenia bedraagt ongeveer 217.000 hectare, bijna een verdubbeling ten opzichte van het areaal dat er lag in het jaar 2000. De gemiddelde opbrengsten variëren van 5 tot 10 ton per hectare. Terwijl het opbrengstpotentieel volgens deskundigen van Agrico op 50 tot 60 ton per hectare ligt. Het gebrek aan gecertificeerd en hoogwaardig aardappelpootgoed, kennis, techniek en financiële middelen stond vooruitgang tot nu toe in de weg.

Uit handen van Liliane Ploumen, de toenmalige minister van handel en ontwikkelingssamenwerking, ontving Agrico in 2016 de Ambassadeursprijs voor het Kenia-initiatief. De aardappelcoöperatie kreeg de prijs omdat er vanuit het niets een veelbelovende aardappelketen is opgebouwd die bijdraagt aan de voedselzekerheid in Kenia.

De aardappel wordt wereldwijd gezien als een grote troef in de strijd tegen honger en armoede. Het heeft in vergelijking met andere voedingsgewassen namelijk weinig water en land nodig om dezelfde hoeveelheid energie en calorieën te produceren. Dat aspect in relatie tot een groeiende wereldbevolking - we gaan naar 10 miljard mensen in 2050 - zet heel veel landen aan het denken in het kiezen of voorschrijven van gewassen.

Overzicht van opbrengsten per gewasgroep en regio

Het CBS heeft de verschillende opbrengstcijfers verzameld in een tabel, uitgesplitst naar gewasgroep en regio.

Ten opzichte van teeltjaar 2022 stijgen de kosten voor de aardappelteelt opnieuw 10 procent. Vooral de stijgende energiekosten en de kosten voor dieselverbruik en de gewasbeschermingsmiddelen wegen zwaar door. POC wijst erop dat bij de berekening van de totale kosten beregening nog niet is meegenomen. De kosten zijn berekend op levering van de aardappelen in april. POC gaat uit van een netto-opbrengst van 47,5 ton per hectare, bewaarverliezen zijn daarin meegenomen. De reële opbrengstprijs met 15 procent marge voor de teler komt dan volgens de organisatie op 252 euro per ton.

Volgens de POC maakt de kostprijsberekening voor 2023 duidelijk dat er iets moet veranderen in de aardappelketen. De organisatie stelt dat een substantiële contractprijsverhoging nodig is om de aardappelteelt in de benen te houden.

labels: #Aardappel

Zie ook: