De landbouw bepaalde in belangrijke mate het dagelijks leven en werken van onze voorouders. Het boerenbedrijf droeg een gesloten karakter. Men produceerde bijna uitsluitend voor eigen voorziening en voor het in stand houden van het familiebedrijfje. Voor een boerengezin was het gehele jaar zware lichamelijke arbeid te doen. Vakanties kende men niet. Men leefde sober, spaarzaam en zuinig. Men had weinig behoeften en was gauw tevreden. Niettemin zorgden de toen nog vele kerkelijke feestdagen en de kermissen voor een welkome onderbreking van de doorgaans lange werkdagen.

Tot de Franse tijd was er geen uniformiteit in het hanteren van allerlei maten. Hierna volgt een overzicht van wat de belangrijkste oude maten eigenlijk ongeveer betekenden.

De Mud: Een Oude Inhoudsmaat

Een mud (ook mudde) is een oude inhoudsmaat. Indien het gemeten product betrekking heeft op vaste goederen (kolen, aardappelen, ...) wordt in wezen het gewicht bedoeld. Bijvoorbeeld: een mud aardappelen weegt (ongeveer) 70 kg. De mud is vooral een inhoudsmaat voor vloeistoffen en graangewassen. De corresponderende inhoud in het metriek stelsel varieert van streek tot streek (tussen 150 en 300 liter). Iedere stad of instelling kon zijn eigen inhoudsmaat kiezen. 1 mud bestaat in sommige stelsels uit 4 schepel.

De term mud stamt af van het Latijnse woord modius. Bij de invoering van het metrieke stelsel in 1820 werd een mud gelijk gesteld aan 100 liter. In de IJkwet van 1937 werd de mud officieel afgeschaft. Toch werd deze maat nog lang gebruikt. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw was het nog gebruikelijk om een mud steenkool voor de kachel te bestellen. En nu kennen we nog de uitdrukking ‘mudvol zitten’.

Het woord mud stamt af van het Latijnse woord modius.

Regionale Verschillen en Onderverdelingen

In Maastricht was in 1570 een mudde gelijk aan 4 malder, maar ook aan 27 zomeren, en ook aan 24 vaten, en ook gelijk aan 96 koppen. (Maasgouw 1927, pag. 18) Zomeren en vaten leken dus op elkaar. Als we uitgaan van een malder van ongeveer 150 liter (het gemiddelde tussen Grave en Nijmegen) dan zou een Maastrichtse mudde 600 liter zijn, een zomer 22 liter, een vat 25 liter en een Cop 6,25 liter. Geen van onderstaande benamingen komt enigszins in de buurt van deze Maastrichtse maten. Het zou best wel eens kunnen zijn dat een Maastrichtse mudde nog groter was.

Stel dat een vaat vergelijkbaar was met een anker, dat is een wijnvat van ongeveer 39 liter, dan zouden de maten als volgt geïnterpreteerd moeten worden:

  • 1 mudde = 39 x 24 = 936 liter.
  • Een malder = 234 liter.
  • Een zomer = 34,6 liter.
  • Een vaet = 39 liter.
  • Een cop = 9,75 liter.

Uit een rekening m.b.t. verteringen in 1795 in Maasniel blijkt na een sommetje gemaakt te hebben dat een malder tarwe gelijk is aan 5 vaten. Dat was twee eeuwen daarvoor in Maastricht dus nog 6 vaten! (het sommetje luidt als volgt: totale vertering (malder)tarwe, een ham en een kaas, uitgedrukt in stuivers: 473 stuivers. Kaas en ham: 171 stuivers. Blijft over: een malder tarwe voor 302 stuivers = 302/6 = 50 schelling.

1 mud is 4 schepel. Een schepel is 0,25 mud is 43,6 liter. Ook erwten en bonen. "Met schepels tegelijk" betekende "bij grote hoeveelheden". Vandaar de zegswijze "Met schepels winnen en met schepels verteren": "Mondjesmaat verdienen en met handenvol uitgeven." Vader Cats maakte ervan: "Een vrouw draegt meer uyt een lepel als een man inbrengt met een schepel".

De Mud als Oppervlaktemaat

De mud of mud gezaaid is een oude Nederlandse oppervlaktemaat. Oorspronkelijk stond het mud gelijk aan de hoeveelheid grond die men met een mud zaad kon inzaaien. De grootte van het mud verschilde per streek. In Gelderland varieerde het mud van 0,45 tot 0,78 hectare; het Overijssels herenmud bedroeg 0,53 hectare; het mud Steenwijker maat was in Drenthe in gebruik en bedroeg 0,36 hectare. Een mud was over het algemeen verdeeld in 4 schepel en in 16 spint. Het herenmud telde echter 6 schepel.

Prijzen en Lonen in het Verleden

Jan de Jonge vond een kasboekje van zijn opa Izaak Dignis van de Linde (1877-1949). Het geeft een inkijkje in de prijzen van de landbouwgewassen en de arbeiderslonen van die tijd. De prijzen werden genoemd per mud.

Izaak Dignis van de Linde gebruikte in zijn kasboek nog de prijzen per mud voor bijvoorbeeld bruine bonen, tarwe en aardappelen:

  • 1 Mud bruine bonen: acht gulden per mud
  • 1 mud tarwe: zes gulden vijftig per mud
  • 1 mud aardappelen: een gulden twintig per mud
  • Turf: 12 mud voor tweeënzestig cent per mud

Ook lezen we in het kasboek iets over de lonen in de landbouw:

  • Bruine bonen dorschen: negentig cent daags
  • Guano strooien: een gulden twintig per dag
  • Haag afzetten: vijftien cent

Ook toen waren de lonen van de vrouwen een stuk lager: Karwij tollen door mannen een gulden. Vrouwen ontvingen zeventig cent. Het dagloon voor karwij snijden bedroeg voor mannen een gulden twintig; voor vrouwen was dit tachtig cent en jongens en meisjes werden naar rato uitbetaald. Karwijzaad was een aromatisch kruid dat vroeger aan brood werd toegevoegd.

Andere Oude Maten en Gewichten

Naast de mud waren er tal van andere oude maten en gewichten in gebruik. Hieronder een kort overzicht:

  • Duim: Oude Nederlandse lengtemaat, ongeveer gelijk aan 2,54 cm.
  • El: Oude lengtemaat, circa 69,4 cm.
  • Roede: Oude lengte- en oppervlaktemaat, variabel per plaats.
  • Morgen: Oppervlakte die in een ochtend geploegd kon worden, ongeveer een hectare.
  • Bunder: Oppervlaktemaat, gelijk aan een hectare.
  • Lood: Oud gewicht, ongeveer 15 gram.

Een dagwand is een oude oppervlaktemaat. Het verwijst naar de oppervlakte grond die een boer met behulp van een os en een ploeg normalerwijze in 1 dag kon ploegen, dit is ongeveer één derde van een hectare of ongeveer 3300 m². De dagwand is gelijk aan 100 vierkante roeden. De exacte maat van de vierkante roede vertoonde echter regionale verschillen. Zo kon de oppervlakte van de dagwand, al naar gelang de regio, uiteenlopen van 3000 tot 3500 m2.

labels: #Aardappel

Zie ook: