Kerkvader Augustinus had voor zijn bekering een wild en losbandig leven. Het verhaal gaat dat hij na zijn bekering eens een 'oude vlam' tegenkwam. "Augustinus!" riep deze vrouw. Toen Augustinus haar herkende, begon de bisschop hard weg te lopen. "Ik ben het!" riep de vrouw hem na. Augustinus heeft het hier over zijn ‘oude mens’ die met Christus gestorven is. Hij is met Christus opgestaan en is nu een ‘nieuw mens’.

De oude mens heeft veel met het woord ‘vlees’ te maken. Op het eerste gezicht klinkt dat misschien vreemd, want bij vlees denk je allereerst aan eten: een lekker stukje vlees. Maar als je even wat verder denkt, dan betekent vlees bij ons wel meer dan alleen eten. Denk maar aan de uitdrukking ‘hij heeft genoeg vlees op de botten’, of de wat ouderwetse uitdrukking ‘vleselijke lusten’ en ‘hij is een mens van vlees en bloed’. In elke uitspraak betekent vlees net wat anders. Precies hetzelfde zien we in de Bijbel terug.

De verschillende betekenissen van 'vlees' in de Bijbel

Vlees kan verschillende betekenissen hebben: in ons huidige taalgebruik, maar zeker ook in de Bijbel. De eerste betekenis is een heel bekende: vlees als eten. Denk maar aan de droom van de Farao: de zeven magere koeien aten de koeien die vet van vlees waren op (Genesis 41:1-4).

Een tweede betekenis is vlees als aanduiding van het menselijk lichaam. Toen Elisa de zoon van de Sunamitische vrouw tot leven bracht, staat er dat het ‘vlees van het kind’ weer warm werd (2 Koningen 4:34).

Een derde betekenis van vlees is vlees als aanduiding voor het lichamelijke bestaan van de mens en soms ook het dier. In het begin van de Bijbel komen we dit al tegen. Als de HEERE ziet dat de mensen in de tijd van Noach in zonde leven, staat er dat ‘alle vlees een verdorven levenswandel op aarde had’ (Genesis 6:12). En als Noach dan de opdracht krijgt om de ark te bouwen staat er dat er ‘van alle vlees waar een levensgeest in was, twee aan twee naar Noach in de ark komen’ (Genesis 7:15). Of denk aan de bekende pinkstertekst in Joël 2:28: ‘Ik zal Mijn Geest uitstorten op alle vlees’.

Een vierde betekenis is vlees als aanduiding van de tijdelijkheid en kwetsbaarheid van de mens - en tegelijkertijd dus ook zijn afhankelijkheid van God. Denk maar aan de uitdrukking ‘hij is een mens van vlees en bloed’. In Jesaja 40:6 staat dat ‘alle vlees gras’ is. Zo kwetsbaar is de mens dat ze daarmee wordt vergeleken. Daarom wordt er in de Bijbel ook opgeroepen om niet op ‘vlees’ te vertrouwen (Jeremia 17:5), maar ook dat je niet bang hoeft te zijn voor andere mensen die zich vijandig tegen je gedragen: ze zijn toch maar vlees (2 Kronieken 32:8).

De vijfde betekenis is de diepste: vlees ‘als een omschrijving voor het slechte in de mens’. Dit staat tegenover ‘dat wat door Gods Geest gewerkt wordt’. Denk maar aan Paulus die zegt dat hij het goede dat hij wil doen, niet doet, maar juist het kwade, dat hij niet wil doen, dat doet hij (Romeinen 7:19). Hier verwijst de uitdrukking ‘vleselijke lusten’ ook naar: al onze begeerten die tegen Gods wet ingaan.

Het is heel belangrijk om dit slechte los te zien van ‘vlees op je botten’. Het slechte van de mens zit niet in zijn lichaam of in een bepaald deel van zijn lichaam. Als de Bijbel het heeft over het vlees, dan duidt dat op de mens in zijn totaliteit: de mens is niet een beetje zondig, maar hij is in zijn geheel verdorven. Daar wordt mee bedoeld dat de mens, zoals hij in zichzelf is: hij haat God en zijn naaste.

Het is nodig dat de oude mens sterft met Christus, want wie door het vlees leeft, zal sterven. Maar wie door de Geest leeft, zal leven. Het vlees is namelijk vijandschap tegen God en het vlees kan God niet behagen (Romeinen 8:7-8). Dat betekent dat het vlees niet aangenaam kan zijn voor God. De Geest van God moet in ons komen wonen, dan zijn we niet meer ‘in het vlees’, maar ‘in de Geest’.

Als de Geest van Christus door het geloof in je woont is je oude mens met Hem gestorven en ben je als nieuw schepsel met Christus opgestaan - net zoals Augustinus daarover schrijft. Je wil dan ook niet meer naar het vlees leven. Daar zit wel een zekere spanning in: wie in Christus gelooft is een nieuw schepsel, maar die oude mens zal wel weer telkens de kop opsteken.

Dit is een ontstellende realiteit: aan de ene kant roept Paulus het uit ‘ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood’ (Romeinen 7:24), en aan de andere kant kan Paulus ook uitroepen: en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Galaten 2:20). Deze inwendige strijd duurt voor een christen tot op het moment dat hij sterft. Dan sterft ook zijn oude mens en zal hij voor altijd nieuwe mens zijn.

'Vlees' in de Belijdenisgeschriften

In de belijdenisgeschriften zien we twee betekenissen van ‘vlees’ terug: (1) vlees als aanduiding voor het lichamelijk bestaan van de mens en (2) vlees als de omschrijving voor het slechte in de mens tegenover dat wat door Gods Geest gewerkt is.

  1. In vraag en antwoord 35 (HC) staat dat de eeuwige Zoon van God de echte menselijke natuur uit het vlees en bloed van de maagd Maria heeft aangenomen, door het werk van de Heilige Geest. In artikel 18 (NGB) worden een paar teksten opgenoemd om te bewijzen dat Christus écht dit menselijk vlees van Zijn moeder heeft aangenomen. In het artikel over de Drie-eenheid (NGB 8) wordt gezegd dat God één Wezen is, maar dat alleen de Heere Jezus het vlees heeft aangenomen, dus de Vader en de Heilige Geest niet. In vraag en antwoord 49 en 57 (HC) gaat het over de opstanding van het lichaam. Dat Christus met Zijn lichaam (‘ons vlees’) naar de hemel is opgevaren, geeft Gods kinderen een krachtig bewijs, een garantie zelfs, dat Hij straks ook als het Hoofd Zijn lidmaten tot Zich zal nemen. De ziel van de gelovige zal weer verenigd worden met zijn vlees, dat door de kracht van Christus opgewekt zal worden en aan Christus’ lichaam gelijkvormig zal worden. In vraag en antwoord 76 (HC) gaat het over het eten van het lichaam en bloed van Christus in het Avondmaal. Daar wordt gezegd dat de gelovigen door het eten van brood en wijn steeds meer één worden met Christus, omdat ze ‘vlees van Zijn vlees’, leden van het lichaam van Christus zijn (1 Korinthe 6:15). Een betekenis van vlees die hier vlakbij ligt, vinden we in de Dordtse Leerregels. Daar staat dat de ‘leer van de (zekerheid van de) volharding’ niet door het vlees begrepen wordt (DL V.15). Daarmee wordt de mens met zijn verstand bedoeld. En aan het eind staat er in het Besluit dat de leer, zoals verwoord in de Leerregels niet bedoeld is als een ‘oorkussen voor het vlees’. De leer van de verkiezing (kortgezegd: dat God het geloof werkt en geeft) mag dus geen argument zijn om dan maar te wachten op het moment dat God dat gaat doen. Hier is duidelijk dat ‘vlees’ hier in negatieve zin bedoeld wordt.
  2. Het vlees in de tweede betekenis, komt vooral in de Dordtse Leerregels voor. Hoewel een christen gelooft dat zijn stenen hart uit zijn vlees is weggenomen en hem een vlesen hart is gegeven (DL III/IV.V7; Ez. 36:26), is het toch zo dat we geen goed werk kunnen doen dat niet besmet is door ons vlees (NGB 24). Even later wordt in artikel 29 genoemd dat een christen te herkennen is doordat hij ‘zijn vlees met zijn werken’ kruisigt. In de Dordtse Leerregels wordt hetzelfde gezegd: de zonde van christenen moet hen aansporen om het vlees hoe langer meer door de Geest en het gebed en heilige oefeningen van de godvruchtigheid te doden (DL V.2). Dat zal nooit volkomen lukken, want God verlost Zijn kinderen in dit leven niet helemaal van het vlees en het lichaam van de zonde (DL V.1). De duivel, de wereld en ons eigen vlees zullen namelijk niet ophouden om ons te blijven aanvechten (HC 52.127). Zonder Gods genade zouden we de zaligmakende genade van God nooit kunnen krijgen, want ons vlees maakt ons krachteloos en daarom zouden we voor altijd onder de vloek van de wet gelegen hebben. Maar Christus wil ons in Zijn barmhartigheid door het geloof in Hem laten opstaan tot een nieuw leven (DL III/IV.5).

Vlees en bloed in de context van de eucharistie

De eerste christenen kwamen bij elkaar om Jezus te gedenken op een wijze die Hij zelf had voorgedaan, toen Hij op de avond voor zijn lijden en sterven een afscheidsmaal hield. Daarbij nam Jezus brood en wijn en gaf ze als zijn Lichaam en Bloed te eten en te drinken. Wat bedoelde Hij daarmee? En waarom wilde Hij tot het eind der tijden in herinnering blijven? Over de betekenis van het sacrament van de eucharistie is in de loop der eeuwen veel gezegd en geschreven.

De eucharistie is de gedachtenis aan Jezus' lijden, dood en verrijzenis. Door deze gedachtenis wordt Jezus, de mens geworden God, als het ware naar het heden gehaald. De Katholieke Kerk leert dat Jezus op bijzondere wijze aanwezig is temidden van hen die eucharistie vieren. Deze tegenwoordigheid wordt mogelijk gemaakt door de Verrijzenis.

De eucharistie heeft ook een eschatologische betekenis: de gelovige blikt vooruit op zijn uiteindelijke bestemming. Omdat die gelovige is ingelijfd in het Lichaam van Christus - dat de Kerk is - zal hij net als Christus uit de dood verrijzen. Wie deelneemt aan de eucharistie mag dus hopen dat zijn sterfelijk bestaan wordt getransformeerd tot een eeuwig bestaan.

Een wezenlijk aspect van de eucharistie dat vaak over het hoofd wordt gezien is de werking van de Heilige Geest. De Heilige Geest is volgens de traditionele opvatting de goddelijke liefdesband tussen de Vader en de Zoon. Het is de Geest die over Maria kwam en het mogelijk maakte dat Jezus geboren kon worden. Diezelfde Geest wekte Jezus op uit de doden en werd op Pinksteren uitgestort over de Apostelen. Krachtens die Heilige Geest konden de apostelen doen wat Jezus had gezegd bij het Laatste Avondmaal: 'Doe dit tot mijn gedachtenis.' Omdat de Geest via de apostelen ook over hun opvolgers en alle gedoopten kwam, is de eucharistie als een gebeuren van de Geest door de eeuwen heen bewaard gebleven.

Jezus zegt in het Johannes-evangelie: 'De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan betonen, bestaat hierin dat hij zijn leven voor hen geeft' (15,13). Jezus zelf heeft zijn leven gegeven voor zijn volgelingen. Daarop vooruitspelend nam Hij tijdens zijn afscheidsmaal brood en zei: 'Eet hiervan, want dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Ook nam Hij wijn en zei: drink hiervan want dit is mijn bloed dat voor jullie vergoten wordt.' Voor iemand die niet vertrouwd is met deze woorden, klinkt dat enigszins luguber. Een lichaam eten, bloed drinken.

Het moet duidelijk zijn dat Jezus nooit zijn stoffelijke lichaam en bloed te eten en te drinken heeft gegeven. Hij gaf de leerlingen brood en wijn. Het brood noemde Hij zijn lichaam en de wijn zijn bloed. Wie daarvan eet en drinkt wordt als het ware doordrongen van Jezus zelf, echter niet in zijn biologische, maar in zijn geestelijke hoedanigheid. Jezus drukte zich in liefdestaal uit. In de Bijbel is het niet ongewoon dat voedsel en drank symbolen voor liefde en zelfs erotiek zijn. In de Nederlands taal kennen we dat ook en wel in de uitdrukking: 'ik kan je wel opeten'. Toch mag Jezus' liefdestaal niet worden versmald tot louter beeldspraak. Zijn uitspraken zijn namelijk uniek en radicaal.

De complexiteit van de mens: meer dan vlees en bloed

Ieder mens weet wat een mens is. Totdat je vraagt wat nu precies kenmerkend is voor een mens. Ligt dat in zijn uiterlijke verschijning? Of ligt datgene wat een mens ten slotte tot mens maakt een aantal lagen dieper? Vooral in (medisch-)ethische discussies rond de beschermwaardigheid van het leven komt deze vraag op talloze manieren terug. Elke tijd heeft ook een eigen beeld over ‘de mens’.

Zonder dat de Bijbel een volledige omschrijving van de mens geeft, reikt ze wel prachtige handvatten aan waarmee de mens zichzelf en de ander ook in het licht van God leert begrijpen. De Bijbel kiest niet voor eenzijdig optimisme of pessimisme. In alle nuchterheid komt in de heilige Schriften de hoge afkomst van de mens als schepsel uit handen van de Schepper in beeld, maar ook hoe vergaand de mens is aangetast door het kwaad.

Wanneer de mens in beeld komt in het Oude Testament gaat het meestal om concrete mensen zoals Abraham, Mozes, David, Nehe-mia en vele anderen. Toch komt de mens in het algemeen ook ter sprake, vooral in Genesis 1-11, in de psalmen, het boek Job en in de wijsheidsliteratuur Spreuken en Prediker. De eerste elf hoofdstukken van Genesis maken de dubbelheid van het menselijk bestaan zichtbaar. Enerzijds is de mens van hoge afkomst: man en vrouw zijn zorgvuldig door de Schepper geformeerd (Gen. 2:7) en zijn zelfs naar zijn beeld geschapen (Gen. 1:26). Mensen ontvangen leefruimte (Gen. 2:8), voedsel (Gen. 2:9), werk (Gen. 2:15) en bovendien ook nog omgang met God (Gen. 3:8). Anderzijds blijken die levensvoorwaarden ernstig beschadigd: mensen moeten hard werken voor weinig resultaat (Gen. 3:18-19), de omgang tussen man en vrouw is geschonden (Gen. 3:16), mensen moeten sterven (zie: vergankelijkheid).

De Bijbel is heel duidelijk over de oorzaak van deze dubbelheid: de verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de mens, die Gods uitdrukkelijke verbod heeft overtreden (Gen. 2:17). In de psalmen komen allerlei facetten van het menselijk bestaan aan de orde: blijdschap (Ps. 145), klachten (Ps. 13), angst (Ps. 6), twijfel (Ps. 73:16-17), vertrouwen (Ps. 25), hoop (Ps. 130), wanhoop (Ps. 88), verlangen (Ps. 42), schuld (Ps. 51), onschuldbetuigingen (Ps. 26) en vergankelijkheid (Ps. 49). De wijsheidsliteratuur schetst in kernachtige spreuken allerlei positieve en negatieve eigenschappen van de mens. Deze uitspraken benadrukken de verantwoordelijkheid van de mens (Spr. 10 - 29). Vooral het boek Prediker zet de losse einden in het mensenleven veel radicaler neer.

Middelpunt is daar het feit dat God in Jezus Christus mens is geworden (‘het Woord is vlees geworden’, Joh. 1:14; ‘Christus Jezus, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is’, Filp. 2:6-7; ‘één middelaar tussen God en mensen: de mens Christus Jezus’, 1 Tim. De eenheid en principiële gelijkheid van de mens mogen concreet zichtbaar worden in de gemeente van Christus: ‘geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers éénin Christus Jezus’ (Gal. 3:28; zie ook Rom. 10:12 en Jak.

In zijn prediking sluit Jezus aan bij de verkondiging van Johannes de Doper: mensen zijn uit zichzelf zonder hoop, behalve als ze zich door bekering weer tot hun Schepper mogen wenden (Mar. 1:15; Mat. 9:13; Luc. 15:7). In het bijzonder het Evangelie van Johannes geeft inzicht in hoeveel intense aandacht Jezus heeft voor concrete mensen: Nicodemus (Joh. 3); de Samaritaanse vrouw (Joh. 4); de op overspel betrapte vrouw (Joh. 8); de blindgeborene (Joh. In hun brieven gaan de apostelen uitgebreid in op hoe mensen met en zonder geloof in Christus zijn.

In Romeinen 1 beschrijft Paulus hoe mensen de waarheid over God ten onder houden en hoe mensen daardoor geen excuus hebben, maar ook niet uit zichzelf in staat zijn om het goede te doen (Rom. 7:2425). Je komt als mens alleen op een nieuw spoor naar het leven terecht door Christus. De apostel Paulus gebruikt daarvoor een heel scala aan uitdrukkingen: mensen mogen een nieuwe schepping worden (2 Kor. 5:17); het beeld van God weer gaan vertonen (2 Kor. 4:18); kind van God zijn (Rom. 8:16; zie ook 1 Joh. 3:2). Wie zonder Christus is, is nog een ‘oude mens’ (Ef. 4: 22-24) en moet een nieuwe mens worden. Daarbij hoort dan tegelijk de opdracht om je ook zo te gedragen (Ef. 4:2532; Rom. 6:6-14; Kol.

De mens geschapen naar Gods beeld

Een van de eerste dingen die de Bijbel over de mens vertelt, is dat man en vrouw naar ‘het beeld en de gelijkenis van God’ geschapen zijn. Behalve in Genesis 1:26-27 en 5:1 komt die uitdrukking ook nog voor in Genesis 9:6, waar juist het feit dat de mens naar Gods beeld geschapen is voor God een reden is om menselijk leven beschermwaardig te achten. Verder vinden we - opvallend genoeg - in het Oude Testament deze omschrijving van de mens niet weer terug. Het Nieuwe Testament neemt deze eerste omschrijving van de mens weer op en verbindt haar met Christus. Door het leven van Christus te ontvangen, worden mensen weer zoals ze oorspronkelijk bedoeld waren (Rom. 8:29; 1 Kor. 15:49; 2 Kor. 3:18; 4:4; Kol.

In de loop van de geschiedenis van het bijbelonderzoek is een heel diverse uitleg gegeven aan wat het betekent dat de mens ‘naar Gods beeld en gelijkenis’ geschapen is. Volgens sommigen ontmoeten we het beeld van God in de geestelijke kwaliteiten van de mens, zoals geheugen, intellect en liefde. Ook is wel beweerd dat de Bijbel bedoelde dat de mens in zijn uiterlijke verschijning op God ‘lijkt’. Anderen leggen er de nadruk op dat het accent moet liggen op het handelen van God en niet op iets dat kenmerkend zou zijn voor de mens: God schiep/maakte de mens naar zijn beeld. De gebruikelijke uitleg vandaag is meestal dat de uitdrukking betekent dat de mens op aarde Gods vertegenwoordiger is en namens God in verantwoordelijkheid beslissingen mag nemen.

Dit sluit het beste aan bij de directe context in Genesis 1:28, waar God de mens opdracht geeft om de aarde te onderwerpen en over de dieren te heersen (termen die passen bij een koning). In de theologische discussie ging het vaak over de vraag of het beeld van God na de zondeval kenmerkend is gebleven voor de mens of niet. In het algemeen is er overeenstemming over het antwoord: de mens is beeld van God gebleven (Gen. 9:6), maar dit beeld is wel verwrongen, zoals het beeld in een lachspiegel (die in ditvoorbeeld beter ‘huilspiegel’ kan heten) ook verwrongen is.

De Bijbelse waarschuwing tegen valse hoop

De Bijbel gebruikt ook het woord ‘vlees’ om mensen aan te duiden. Het kan de tijdelijkheid en kwetsbaarheid van de mens aanduiden (‘alle vlees is gras’, Jes. 40:6). Dat de mens ‘vlees’ is, is een waarschuwing tegen valse hoop: vertrouw niet op vlees (Jer. 17:5; Filp. De mens is schepsel tegenover de Schepper (Gen. 6:3; Job 10:4; Dan. 2:10 - de goden die niet bij de stervelingen [lett. ‘vlees’] wonen). Als schepsel kan de mens niet zomaar Gods Rijk binnenlopen. Onze wereld gaat niet gelijkvloers over in Gods Rijk (‘vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven’, 1 Kor.

Bij onderdrukking hoef je niet bang zijn voor de vijand: die is alleen maar ‘vlees’ (2 Kron. 32:8; Ps. 56:5; Jes. Soms betekent ‘vlees’ niet anders dan een aanduiding voor het lichamelijke bestaan van de mens: ‘al wat leeft (lett. ‘alle vlees’) had zijn weg op de aarde verdorven (… ) het einde van al wat leeft is door Mij besloten’ (Gen. 6:1213). Zie ook Jesaja 40:5 ‘de heerlijkheid des Heren zal zich openbaren, en al het levende tezamen (lett. ‘alle vlees’) zal dit zien’; Joël 2:28: ‘Ik (zal) mijn Geest uitstorten op al wat leeft (lett.

In het Nieuwe Testament kan ‘het vlees’ ook een omschrijving zijn voor het slechte in de mens tegenover dat wat door Gods Geest gewerkt wordt. De betekenis zit dan aan tegen: aards (zoals dat sinds de zondeval is geworden), ongeestelijk, leven zonder God. Het gaat dan over ‘het begeren van het vlees’, ‘de werken van het vlees’ (Gal. 5:16.19), ‘de gezindheid van het vlees’ (Rom. 8:4-13). Wie bij Christus hoort, heeft daarom de opdracht om niet ‘naar het vlees’ te leven, dat wil zeggen: loop niet achter je zondige begeerten aan.

Tegelijk is wie op Hem vertrouwt nog wel ‘in het vlees’, dat wil zeggen: leeft in deze wereld (2 Kor. 10:3 ‘al leven wij in het vlees = leven op aarde, wij trekken niet ten strijde naar het vlees’ = op een aardse/niet-geestelij-ke manier). De spanning die dat met zich meebrengt, ziet Paulus overwonnen door Christus. Voor hem is het aardse leven door het geloof zozeer in het leven van Christus opgenomen, dat het voor hem niet uitmaakt of hij leeft of sterft.

Leven is voor hem leven voor Christus. Sterven betekent voor hem een vertrek naar zijn Heer. Voor zichzelf vindt hij dat laatste beter, maar voor de voortgang van het Koninkrijk van God is het beter dat hij nog ‘in het vlees’ blijft (Filp. De Bijbel laat een heel geschakeerd mensbeeld zien. Helemaal voorop staat dat de mens een schepsel is uit de handen van de Schepper. Geen mens hoeft onzeker te zijn over zijn herkomst. Gezond zelfvertrouwen heeft dan ook alles te maken met godsvertrouwen.

Dit betekent dat de mens op zijn Schepper gericht moet zijn. De Bijbel vertelt hoe de mens oorspronkelijk goed geschapen is, maar zelf door de overtreding van Gods gebod is bezweken omdat hij zelf wilde uitmaken wat goed en kwaad is (Gen. 3:22). Geen mens kan dat dragen. De slechtheid van de mens vindt zijn oorsprong in deze zonde van opstand tegen God.

In het tekenen van die slechtheid van mensen is de Schrift heel realistisch en draait nergens om de hete brij heen. Toch geeft de Bijbel meteen vanaf het begin de mens een draad van hoop in handen: de mens is geschapen naar Gods beeld. Voor God is dat ook in een geschonden schepping reden om de mens te beschermen tegen de agressie van zijn medemensen. Naast het kwaad dat alles in het mensenleven doordringt en elk verband waarin mensen geplaatst zijn beschadigt, is de Bijbel helder over Gods grote liefde voor mensen. Voor die liefde geeft God geen redenen.

Hij bewijst die liefde voor de mens en voor zijn eigen schepping door zijn Zoon mens te laten worden. Dit bijbelse spreken bevrijdt van ongebreideld optimisme of moedeloos makend pessimisme over de mens. Mensen leren de feiten onder ogen zien, maar krijgen tegelijk meer hoop dan ze voor mogelijk hadden gehouden. De Schrift laat ons niet toe om over de mens alleen maar horizontaal te denken, alsof het met de dood helemaal afgelopen is. God wijst de weg naar een nieuw leven dat zelfs het heelal overleeft. Dit stimuleert om op een veelzijdige manier naar medemensen te kijken: de Bijbel leent ons de ogen van God om daarmee naar anderen te kijken.

labels: #Vlees

Zie ook: