De Nederlandse taal is diepgaand beïnvloed door Bijbelse uitdrukkingen, gezegden en woorden. Een bekende uitdrukking is: "In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert". Deze zin komt uit Genesis 3 vers 19. Als straf voor het overtreden van Gods gebod moeten Adam en Eva voortaan werken voor de kost.

De uitdrukking betekent 'zwoegend'. In de vroege Christelijke traditie werd erkend dat arbeid iemand niet alleen gezond kan houden, maar dat het mensen ook kan afhouden van zondige gedachten en gewoontes (‘ledigheid is des duivels oorkussen’) en een bijdrage kan leveren aan de deugd van gehoorzaamheid. “Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten” staat in 2 Thessalonicenzen 3 vers 10. Dat was de les die de apostel Paulus voorhield aan de eerste christenen, die in hun verwachting van de spoedige komst van Gods koninkrijk hun werk eraan gaven en gezamenlijk teerden op hun bezittingen.

De rol van arbeid in de Westerse cultuur

Pas sinds de reformatie en de opkomst van het protestantisme wordt aan arbeid een meer positieve betekenis gehecht in de Westerse cultuur. Volgens Maarten Luther (1483-1546) kan arbeid zelf een manier zijn om God te dienen: arbeid werd een ‘roeping’ die in het tegenwoordige consciëntieus en levenslang verricht moest worden om in het hiernamaals een goede kans te maken op de betere posities. Arbeid werd hierdoor tot een morele plicht verheven.

Vooral bij Johannes Calvijn (1509-1564) krijgt de arbeid een nieuwe dynamiek. Hij vat arbeid op als het dienstbaar maken van de door God gegeven talenten in dienst van Gods koninkrijk. De enige aanvaardbare manier om de vrucht van met succes bekroonde arbeid te gebruiken was hulp aan de behoeftige naaste en uitbreiding van de eigen bedrijvigheid.

Arbeid en werkloosheid

Zooals elk jaar, werd gisteren het Meifeest, het feest van den Arbeid en van den Vrede, gevierd. Helaas, is het niet tragisch nochtans, de loftrompet te steken voor den arbeid, op hetzelfde oogenblik waarop er in de beschaafde wereld meer dan 30 millioen menschen zijn die willen werken, maar dit niet kunnen? ‘Geeft ons werk en daardoor ons dagelijksch brood’: het is de smeekende en smachtende bede, en vaak ook de dreigende roep die nu over de menschheid klinkt.

Het is de kreet van misnoegdheid; het is het brandende problema. De menschheid heeft haar geloof in de bestaande levenswetten verloren; zij zoekt naar nieuwe wegen, nieuwe middelen en grijpt in haar vertwijfeling naar de meest gewaagde avonturen. De eene natie na de andere sluit zich op in haar ivoren toren en zoekt het heil in een verwoed protectionisme. Rusland beproeft het met de dictatuur van het proletariaat en staatseconomie. Centraal en Zuid-Europa gaan den weg op der dictatuur op imperialistischen en nationalistischen grondslag.

Anderen zien een oplossing van de werkloosheid in een ‘geleide economie.’ Een prachtig woord, maar met een zeer duistere beteekenis. Een lokaal en beperkt middel eindelijk tot bestrijden der werkloosheid zoeken velen hierin, dat de menschen zooveel mogelijk de producten van hun eigen land zouden koopen. Het Nationaal Verbond der Belgische Kamers van Handel en Nijverheid, gesteund door de regeering, voert een zeer actieve propaganda ten voordeele van het verbruik van Belgische producten.

In de vroege middeleeuwen, ja, dan leefden de menschen ingesloten. Dan kweekte de boer zijn eigen schapen, die hem de wol voor eigen kleederen bezorgden, door hem of zijn gezinsleden geweven, geverfd en gemaakt. Maar uit wat is nu uw eigen kleeding vervaardigd? Onze kleeding, onze huisraad roepen internationaal en onze politiek zou worden exclusief nationaal. Het is een nonsens, een dwaasheid, een begoocheling, een misdaad.

Trouwens, protectionistische landen mogen geen heil van hun dwaas protectionisme verwachten. Zij hebben schoon te beproeven hun eigen industrie door tolbarrières te beschermen, het baat hun niet, want door die beschermingswetten wordt het leven er zóó duur, dat zij niet meer op de buitenlandsche markt voordeelig kunnen mededingen. Hier in ons land moet de levensstandaard laag blijven, wat geenszins beteekent dat de menschen er armzalig moeten leven.

De oplossing

Welk is dan de oplossing? Ik zie ze als volgt: zoohaast mogelijk terug naar den vrijhandel. Het koopen van vreemde producten is, bekennen wij het eerlijk, meestal een dwaze modegril. Wij kennen vooraanstaande wereldbefaamde Belgische nijveraars, wier producten slechts ingang gevonden hebben op de Belgische markt, nadat zij van den vreemde er terug ingevoerd werden.

Wij zijn op sommige gebieden het land van de ‘camelote’, van het minderwaardige. Laten wij dat eens en voor altijd bekennen. Maar onze Belgische verbruikers moeten het snobisme afleggen, hetwelk hierin bestaat, a priori de voorkeur aan vreemde waar te geven. Dit alles nochtans onder voorwaarde dat er geen misbruik gemaakt worde van het patriotardisme, dien ziekelijken tweelingsbroeder van het chauvinisme. zich rijk te woekeren in vadsigheid, beschut tegen vreemde concurrentie, die ten slotte de ziel van den handel moet blijven.

Ik besluit: de redding uit den nood der werkloosheid ligt in het herscheppen op politiek, economisch en cultureel gebied van een nieuwe wereldorde, gesteund op de beproefde oude liberale theorie der vrijheid van handel en der vrijheid van gedachten, maar aangepast aan de moderne sociale begrippen van solidariteit. De redding ligt niet in het communisme, hetwelk de persoonlijke waarde van den mensch neerhaalt; noch in het nationalisme, hetwelk den haat voor den medemensch aankweekt. De redding ligt in het vrije verkeer der goederen en gedachten en gevoelens alover de wereld heen.

De invloed van de Statenvertaling

Met name de Statenvertaling - gemaakt in opdracht van de Staten-Generaal en voltooid in 1637 - uniformeerde het Nederlands en doorspekte onze taal met nieuwe woorden en woordcombinaties. Nicoline van der Sijs, hoogleraar Historische taalkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, stelde dat ongeveer de helft van de Bijbelse uitdrukkingen, gezegden en woorden letterlijk in de Nederlandse taal terecht is gekomen.

Een negatieve waardering van arbeid

In het paradijs is alles voorradig, maar buiten het paradijs is de vervloekte aarde, waarop we moeten zwoegen en in het zweet onzes aanschijns ons brood eten - de lol is eraf. In plaats van een negatieve waardering is de Bijbelse traditie primair de geboortegrond geworden van een positieve waardering van arbeid. Want hier wordt onomwonden gezegd dat God zelf een arbeider is, en in zes dagen zijn werk gedaan heeft. En dus werken wij ook, anders was er niets, is er niets en komt er niets.

Arbeid als masker van God

Deze positieve waardering van arbeid heeft het duidelijk gewonnen in de christelijke traditie. Niet alleen verkiest de hoge God de menswording in een timmermanszoon - hetgeen Jozef tot in eeuwigheid tot beschermheilige van de timmerlui verheven heeft - Jezus geeft ook allerlei voorbeelden uit het arbeidsbestaan van mensen. De boer zaait, de bouwer bouwt een huis, de projectontwikkelaar berekent een toren, tot en met de wonderlijke uitroep ‘het Koninkrijk Gods is als een koopman’ (Matteüs 13:45).

In de westerse kloostertraditie ligt de nadruk op de balans van ‘ora et labora’, bid én werk. We komen zelfs op het spoor van een ontluikende theologie van de arbeid. Een belangrijke rol is hierbij weggelegd voor Jezus’ gelijkenis van de talenten (Matteüs 25:14-30, Lucas 19:11-27). In een openbare preek gehouden in de volkstaal op het plein voor het bisschoppelijk paleis in Florence in 1304, past de Dominicaanse prediker Giordano da Pisa deze gelijkenis voor het eerst niet meer toe op het geestelijk heil maar op de ‘gewone’ ambachtelijke talenten die mensen hebben en die goed moeten worden gebruikt.

In zijn uitvoerige commentaar op Psalm 147 gaat Luther nog een belangrijke stap verder. Als de tekst zegt ‘God versterkt de tralies van uw poort’ (vers 13), tekent Luther aan dat God echt geen poorten bouwt, timmerlieden, metselaars, en schilders doen dat. Dus er is maar één conclusie: terwijl mensen actief zijn, doen ze eigenlijk Gods werk. God is in hen verborgen, zij zijn ‘maskers van God’. ‘Voor God is al ons werk - of het nu op het veld, in de tuin, in de stad, in huis, in oorlog of in de regering is - in feite een toneelstukje zoals kinderen dat opvoeren.’

De heiliging van de sabbat

Maar in het westerse christendom is, evenals in de joodse traditie, de waardering voor arbeid altijd gekoppeld gebleven aan de heiliging van de sabbat. Een mens moet ook van ophouden weten. De joodse filosoof Abraham Joshua Heschel typeert deze dag daarom als ‘een heiligdom in de tijd’, een steeds terugkerende rem op onze neiging de ruimte, de wereld te beheersen als een rusteloze, grenzeloze activiteit.

Een overmaat aan zweet, een tekort aan sabbat

In aansluiting bij die lange traditie waarin de waardigheid van arbeid beklemtoond werd, stelt de moraalfilosoof en econoom Adam Smith, afkomstig uit een Schots-calvinistisch milieu, dat goed georganiseerde arbeid het centrale instrument is om aan armoede te ontsnappen. Zijn beroemde boek hierover, The Wealth of Nations (1776), verschijnt tijdens de Industriële Revolutie.

Inderdaad is de waardering van arbeid een erfenis van de Bijbelse en christelijke traditie. Maar in recente decennia is deze waardering door het plafond gebroken: werk heeft nu voor velen een betekenis gekregen die in de buurt komt van ‘heil’. Naast de hoge waardering voor werk is in de Bijbelse traditie tegelijk sprake van een voortdurende relativering van werk. De zin van werk openbaart zich in de sabbatsvreugde, als je dus even ophoudt.

Hoogtijd voor sabbat

De vraag is inmiddels wel of we nog een keer tweehonderd jaar zo door moeten en kunnen gaan. Of komt het einde van het project armoedebestrijding in zicht en wordt het langzamerhand absurd, grotesk, om deze hele machinerie in stand te houden en ‘eeuwige groei’ na te streven? We zullen met die andere grote econoom, John Maynard Keynes, niet moeten denken over de afsluiting van dit project van immer toenemende arbeidsinzet, immer toenemende productiviteitsstijging, immer toenemend beslag op grondstoffen?

In deze lijn kunnen we zeggen dat van een groei-economie de transitie moeten maken naar een meer stationaire, of circulaire economie, een economie waarin dat door Smith verzwegen woord - zondag, sabbat, van ophouden weten - opnieuw een belangrijke rol krijgt. Allereerst vanwege de ecologische grenzen waar we nu op stuiten. Als we nog eens tweehonderd jaar doorgaan met het groeitempo van de afgelopen tweehonderd jaar, en nu met een wereldbevolking van straks negen miljard mensen, is er geen aarde meer over.

Ten tweede is er, in westerse landen maar in toenemende mate wereldwijd, sprake van een steeds toenemende psychische druk rond werk en loopbaan. Dit draagt bij aan een toename van psychische problematiek en burn-outverschijnselen. Een belangrijke rol hierbij speelt dat, bij gebrek aan andere maatstaven, geld in snel toenemende mate de enige standaard geworden is van de ervaren ‘betekenis’ of ‘zin’ van werk.

Ten derde is er, zeker wereldwijd, sprake van een toenemende ongelijkheid tussen de ‘succesvollen’ en de ‘onsuccesvollen’ in het werk, de ‘winners’ en de ‘losers’. Terwijl de ongelijkheid tussen landen afneemt, neemt die tussen mensen binnen landen toe. Werk zal ook in de toedeling van inkomen minder belangrijk moeten worden. Op de een of andere manier zullen we moeten gaan nadenken over zoiets als een universeel basisinkomen.

Economie van de vreugde

Het is om deze redenen dat ik in een recent essay gepleit heb voor de overgang naar een ‘economie van de vreugde’. Hierin meten we succes en groei niet langer af aan materiële vooruitgang maar aan menselijke bloei, waarbij de balans met de ecologische omgeving van meet af in is meegenomen. In ons spreken over onze economie zullen dimensies van het goede leven moeten gaan gelden.

Werken is een straf

“In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert” Zo staat het in de bijbel. Werken is een straf. Werken is zwoegen. In onze cultuur is dit een diepgeworteld idee, ook onder degenen die weinig hebben met religie of de bijbel.

We kijken met een interessante ambivalentie naar mensen die hun geld verdienen met bijvoorbeeld theater, muziek, dans, reizen, entertainment of sport. Anderzijds is er ook enige afgunst te bespeuren, omdat deze mensen hun geld verdienen met wat ze heel graag doen.

Zekerheid of genieten?

Waar kies jij voor? Wil je zekerheid of wil je genieten? Leven om te werken of werken om te leven? Doen wat er gedaan moet worden of je geld verdienen met iets waar jij blij van wordt, iets waarin jij het verschil kunt maken en wat voor jou een zinvolle invulling betekent?

Talmoed

De Talmoed verwondert zich reeds over dit merkwaardige fenomeen en wijt dit aan onze zondige natuur. De primaire levenstaak van de religieuze mens is zijn geestelijke opdracht te maximaliseren. Heiligheid is ver te zoeken als ons hele bestaan geabsorbeerd wordt door materieel streven.

Twee ogen

Mij werd eens de volgende vraag gesteld: “Waarom werd de mens met één mond en één neus geschapen terwijl hij twee ogen heeft?”. Ten aanzien van onze aardse aangelegenheden dienen wij ons bescheiden en beperkt op te stellen. Onze aardse strevingen dienen gericht te zijn op voorzien in het minimum aan aardse benodigdheden.

labels: #Brood

Zie ook: