Dimitri Verhulst, een bekende naam in de literaire wereld, heeft door de jaren heen een breed scala aan werken gepubliceerd en ervaringen gedeeld. Van persoonlijke dagboeken tot romans, zijn werk is vaak doordrenkt met cynisme, humor en een scherpe observatie van de menselijke natuur.

Onze verslaggever in de leegte

Oogenschijnlijk uit het niets begon Dimitri Verhulst een aantal jaar geleden een dagboek om te schrijven waarover hij niet praten kon. Onze verslaggever in de leegte is het verslag van een zelfvernietiging: liever zelf naar de klote dan dat je ondergang door een ander wordt veroorzaakt. De angst voor het moment waarop zijn leven zal worden vernietigd leidt tot een eenzame tocht langs kroegen, drugsdealers en lege hotelkamers.

Ervaringen tijdens de coronapandemie

Nu doet Dimitri Verhulst vanuit zijn woonplaats in Frankrijk verslag van zijn ervaringen tijdens de coronapandemie. Hoe is het leven als je woont op een leeg platteland, wat merk je er van? Verandert er eigenlijk wel zoveel aan het leven als je schrijver bent en altijd al gewend bent aan thuis zitten?

Het verslag van Dimitri Verhulst is ten einde. Ben je geïnspireerd geraakt om ook een dagboek bij te gaan houden gedurende deze gekke periode of misschien was je al lang begonnen? Wij (Uitgeverij Pluim) zijn in ieder geval benieuwd naar hoe jij deze tijd ervaart en hoe je op dit moment naar de wereld kijkt.

Het kluizenaarschap is pas prachtig als het een keuze is. Stilaan gaat mijn solipsisme voor de bijl. Een mooie, ik bof, maar mijn sociaal leven staat op z’n laagste peil sinds ik aan een Zweeds meer muggen telde. Het is niet gezond meer wanneer je het bed deelt met iedereen die je ziet. Wat dus wil zeggen dat ik maar één mens zie.

Precies daarom weiger ik het tijdens deze lockdown aan een roman te beginnen. Wanneer ik mij alle vrolijke verleidingen van de wereld ontzeg om te schrijven, dan vliegen de vonken uit mijn pen en vat mijn schriftje vlam. Wanneer ik mij alle vrolijke verleidingen van de wereld ontzeg om te schrijven, dan vliegen de vonken uit mijn pen en vat mijn schriftje vlam. Vandaag voelt het schrijven aan als een lelijke en domme vrouw, waarmee ik toch maar trouw, omdat ik geen andere krijgen kan. Leesplezier heb ik niet meer, en ik meen te weten hoe dat komt: ik weiger een boek te behandelen als een product tegen de verveling. Ook het schrijfplezier is stilaan tanende. Het is veel prettiger schrijven wanneer er duizend dingen zijn te beleven. Ik tel af, mijn god ik tel zo hard de dagen af. 11 mei schrijf ik de openingszin die al meer dan een maand in mijn hoofd zit maar die ik vertikt heb neer te pennen.

We stuurden onze vrienden een uitnodiging voor deze kwis en in een wip zaten we met dertig deelnemers, allen hunkerend naar een beetje buitenwereld. Maar gedwongen door de afzondering worden we, als tienduizenden, moderner met de dag, en zodus zodoende staat er inmiddels al software voor videoconferenties op onze computer. Kletsen met twintig mensen tegelijk, zich allemaal bevindende in een ander werelddeel als het moet, we kunnen het. Wel lief van dit virus, dat het heeft gewacht op deze technologie. Snakkend naar eens een andere stem, een andere humor, een andere lach, mijn lief zowel als ik, hebben we met ons tweetjes een muziekkwis in elkaar getimmerd. En daar stopt het ongeveer.

En ik moet zeggen, ik heb me in geen tijden meer zo geamuseerd als tijdens deze kwis. Iedereen bij iedereen op bezoek. Elk in zijn eigen woonkamer, waarvan je eigenlijk nooit wist hoe die eruitzag. De ene in z’n training, de andere in négligé, het maakte geen hol uit, met gewassen haren of gewoon weer vettig. Met of zonder okselhaar. En zo goed als bijna iedereen behoorlijk behendig met de fles, waardoor het geschater toenam. Tot een kot in de nacht zijn we opgebleven, taterend, gierend, ons lavend aan elkaars aanwezigheid. Ik vond het verdomme gezellig. Oergezellig. Stomverbaasd dat dit überhaupt mogelijk is, elk met z’n kop voor een camera. De voelbare aanwezigheid van dertig afwezigen. We zijn ons bed in gekropen met het gevoel alsof we van een trouwfeest kwamen. Want ja, gedanst is er ook. Ieder in z’n eigen kot. Maar toch. Het was dat of stilaan zot worden. Zullen we zo op deze periode terugkijken? Dat we, terwijl 200.000 pechvogels stierven, voor ons computerscherm dansten met elkaar? Ik ben wakker geworden met een kater en zei: ‘Schat, is dit niet heerlijk? Als we vroeger iets gingen drinken met de vrienden was ik nooit naar huis te krijgen.’

23 april (21.856 doden later)

Helemaal in het begin van deze pandemie zei ik tegen mijn geliefde dat het mij hooglijk verbaasde dat er nog niets over sigaretten was verteld. Wij worden wereldwijd gegijzeld door een longziekte uiteindelijk, waarbij je stikkend aan je eind komt. Je zou toch verwachten dat rokers sneller sneuvelen, en dat een minister van Volksgezondheid uit den treure komt herhalen dat het beter is te stoppen met paffen. Mijn vermoeden was dat uit een geheim rapport was gebleken dat nicotine een uitstekende remedie zou kunnen zijn tegen de smeerlapperij genaamd covid-19. Geen enkele minister die dit durft te beweren natuurlijk. Roken hoort slecht te zijn, de heksenjacht op al die longverloederaars kan onmogelijk worden teruggeschroefd.

Wat je wel hoorde beweren, was de stelling dat de sterftecijfers hoger waren bij zwaarlijvigen. In België werd deze boodschap wonderwel genoeg niet gebracht door de minister van Volksgezondheid zelf, wellicht omdat ze 140 kilogrammetjes weegt. Een Italiaanse krant heeft zich onlangs nog kostelijk geamuseerd met het lichaamsgewicht van deze minister. Men vond dat, in België dan toch, onfatsoenlijk. Nou, ik vind dat niet. Het heeft met geloofwaardigheid te maken. Een obees die je komt vertellen wat gezond is en wat niet, heeft geen moreel gezag. Zeker, het is onbetamelijk met iemands gebreken te lachen; maar dat is het niet wanneer die gebreken worden gekoppeld aan een functie. Je wil toch ook niet iemand met dyscalculie als minister van Financiën?

En ja hoor, dat geheim rapport bestond. Het werd gevoerd door vier wetenschappers, gelieerd aan het Hôpital de la Pitié-Salpêtrière te Parijs, wereldberoemd uiteraard omdat de roman Van de koelen meren des doods van Frederik van Eeden zich daar gedeeltelijk afspeelt. Meerdere romans spelen zich trouwens in dat hospitaal af. Per Olov Enquist is een van de vele schuldigen. En hoewel in mindere mate, maar toch ook nog een beetje, is het Pitié-Salpêtrière beroemd, omdat Prinses Diana daar in haar lijkzak werd gelegd.

De Franse minister van Volksgezondheid, een neuroloog met een lichaamsgewicht van slechts twee cijfers, een voorstander van de funky elektronische sigaret ook, wil het onderzoek van mensen die op dat punt slimmer zijn dan hijzelf niet van tafel gooien, maar beklemtoonde een poosje geleden dat de sigaret in Frankrijk jaarlijks nog altijd 73.000 levens kost. Dyscalculie heb ikzelf ook niet, neen. 73.000 per jaar. Dat zijn er, dacht ik zo, een pak minder dan 21.000 op een maand.

De testfase is in ieder geval geopend, en in een aantal hospitalen krijgen de niet-rokers, zowel de patiënten als het verzorgend personeel, voortaan nicotinepleisters. Stel je binnenkort de foto’s op onze pakken sigaretten voor. Vrolijke gezinnen huppelend in een geel bebloemde weide. Fietsende sportievelingen, bruisend van leven en zuurstof. En in vette, smerige belettering de tekst: ‘Roken kan uw leven redden’. Of: ‘Begin er vroeg genoeg aan!’ ‘Niet-rokers stikken jonger.’

Er komt een gratis telefoonnummer voor de kneusjes die willen leren roken. Een lijn die ik maar al te graag wil bemannen, als het zover is. Restaurants laten uitsluitend nog rokers toe, de anderen zijn tenslotte een gevaar voor de wereldgezondheid. De pakjes zelf krijgen een roze kleur (een reden voor mij om te stoppen, maar soit), en sigarettenmerken mogen weer allerlei activiteiten sponsoren. Hun reclame zal niet alleen opnieuw zijn toegestaan, die zal ook worden bekostigd door de overheid bovendien. Mijn ziekenfonds betaalt mij weldra al mijn pakjes terug. Hoe heerlijk, een slof Gauloises op doktersvoorschrift. Alles is context. Wijzig die, draai die om, en je ziet meteen het autisme van een maatschappij.

Voor mij mag het, hier hou ik best wel van. De niet tot aanpassing bereid zijnde asceet die straks te horen krijgt dat zijn adem stinkt. Corona: je t’aime!

22 april (21.340 doden later)

Onze hond had bloedklonters in de oren, leed daar zichtbaar onder, en schonk ons alzo het vooruitzicht op een legale uitstap naar de dierenarts, woonachtig in een fraai dorpje, een halfuur hiervandaan. Over prachtige, landelijke wegen, die we al in geen twee maanden meer hebben gezien. Hoho, al die valleitjes en romaanse kerkjes weer te mogen begroeten. Dat je bijna blij zou zijn met een bloedklonter, een onschuldige weliswaar.

Ik belde naar de dierenarts alsof ik naar een reisbureau belde, helemaal in mijn nopjes een afspraak te regelen voor onze steeds sipper kijkende golden retriever, per definitie reeds gespecialiseerd in de melancholische blik. Droef kijken, het is de corebusiness van een hond. Zijn beste jachttechniek, hij levert de grootste porties eten op. De warmste knuffels.

Helaas, die daguitstap naar de dierenarts was nog niet meteen in de pocket want, aldus de zeer vriendelijke dame aan de andere kant van de lijn, consultaties werden wegens besmettingsgevaar nu per videochat uitgevoerd. Is dat de nabije toekomst? Staan we morgen in ons blootje voor onze pc te skypen met onze huisarts? Ben ik even blij dat ik niet naar de gynaecoloog moet.

‘Kunt u even het gaatje dichter bij de camera brengen, want zo zie ik niets.’ Gelukkig is onze hond van de oude stempel, niet geïnteresseerd in social media. Je houdt zo’n beest geen vier seconden stil voor een computerscherm, en ik moest meteen aan al die boeren denken, hoe zij hun zieke koeien tegenwoordig naar de woonkamer hebben te slepen, omdat daar de enige computer des huizes staat.

Aangezien onze hond niet voor het computerscherm te houden was, mochten we langskomen. Echt langskomen. Fysiek langskomen. Hoera. Picknickmandje erbij, het scheelde niet veel. Het verlangen een ansicht te sturen. Zonnige groetjes van bij de dierenarts.

De dame had gezegd dat het mij niet toegestaan zou zijn mee te gaan in haar kabinet. Ik moest de parking oprijden, haar bellen eens ik daar aangekomen was, en daarna zou zij de hond van me overnemen, een moeilijke overdracht omdat ze toch wou proberen om onderwijl anderhalve meter van me verwijderd te blijven. Het was het grootste avontuur in lange tijd dat hier voor me uitlag. Ik zag me al op die parking, omringd met mensen die hun koeien en hun paarden overhandigden.

Helaas, grote verhalen zijn mij niet gegund, en volgens sommige visies is dat een bron van geluk. Ik gaf de hond aan de bemondmaskerde dierenarts, zij wandelde ermee naar binnen, en daar stond ik dan, te koekeloeren op de parking tot ze klaar was met haar consultatie. Geen koe, geen paard, geen stier, geen zwijn, geen dwerggeit, geen hamster te zien. Af en toe eens een als een chihuahua gecoiffeerd vrouwmens dat een product tegen de vlooien kwam halen, vermoedelijk voor haar huisdier, maar voorts was die parking een uitstekende voorbereiding op de grote dood.

Sigaret gerookt. Nog een sigaret gerookt. Waarna de dierenarts zonder mijn hond naar buiten trippelde en me zei dat ze de hond onder volledige narcose moest brengen. Excuseer? Er diende een lenteschoonmaakje te worden uitgevoerd in die oren van ’m, het beest zat me daar toch met een ontsteking van hier tot in Zimbabwe, en die behandeling was ruim te pijnlijk om fris en monter te moeten ondergaan. Hiertoe diende ik toestemming te geven. De hond heeft geen zelfbeschikkingsrecht, hij mag helaas ook niet gaan stemmen, geen regeringstaken op zich nemen, en ik kribbelde mijn naam onder een lap tekst waarin ongetwijfeld stond dat het mijn verantwoordelijkheid zou zijn indien hij tijdens de ingreep kwam te overlijden.

Het gelezen heb ik niet. Wat zou het ertoe doen? Maar het schoot me wel even door het hoofd. De mogelijkheid, dat mijn lieve vriend vrolijk met de dierenarts naar binnen was gewandeld, en dat ik ’m nooit meer terug zou zien. Men zou er zelfs niet eens over durven te klagen, immers zijn er mensen, dúízenden, maar dan ook echt dúízenden, die telefonisch afscheid hebben te nemen van hun geliefden. Je zal maar zonder belkrediet zitten, die dag…

Het is leeg en stil rondom de sterfbedden. Iedereen heeft het leven in totale eenzaamheid te verlaten. Wat nooit is uitgesproken, zal onuitgesproken blijven. De hond ligt nu stoned in onze woonkamer beetje bij beetje te ontwaken. Tussen ons is er niets wat is onuitgesproken. Er is ook niets wat moet worden uitgesproken. Bijzonder toch, dat uitgerekend het wezen dat trots is op z’n taligheid moet heengaan tijdens een gesprek dat ofwel nooit aanving, ofwel niet is afgewerkt.

21 april (20.796 doden later)

Mensen van mijn generatie zijn opgegroeid met een hardnekkig beeld van Frankrijk, als dat van een natie vol smerige, ongewassen burgers, die, zo ze al hun tanden poetsten, dat deden met enige tenen look, en hun huizen en straten lieten verkommeren omdat de ruïne nu eenmaal charmanter is dan de nieuwbouw. Een bevestiging daarvan kregen we gepresenteerd toen we als kind onze allereerste keer in een pompstation naar een toilet zochten. We konden blijven zoeken. Fransen hurkten immers boven een gat in de grond, ze mochten blij zijn dat er nog geen smartphones waren waarmee wij heden op de plee de tijd hebben te verdrijven. Het is lastig scrollen tussen de wc-rollen, zonder bril onder de kont.

In mijn persoonlijke geval kwam daar nog een couche Frank Zappa bovenop, die zong dat Françaises zoutig smaakten. Ook hadden ze ziektes, allemaal. Als ze een man een blowjob gaven, dan verliet zijn pieterman groen als peterselie het naar eetbare koffie ruikende mondhol. Diezelfde Zappa over de Franse pot: ‘And when they go kaka, they make you stand up.’ Ze zijn nog moeilijk te vinden, die befaamde Franse potten. De laatste die ik zag was vorig jaar, in Thailand.

Waar ik vandaag in België 50 cent moet betalen om in andermans pisgeur te staan, kan je in Franse pompstations gratis naar de plee, en zijn ze bovendien ook nog eens zo proper dat je het zou aandurven er een croissant te eten. De straten zijn prachtig onderhouden. Was ik een gat in het wegdek, mijn levensverwachting lag hoger in België. Motorrijders roemen de perfect geïnclineerde bochten van de routes nationales. Bernard Hinault vond Paris-Roubaix dan ook een onnozel circus, terwijl de meeste Belgen zich daar thuis voelen.

Zwerfvuil? Amper! Het grootste deel van mijn asociale leven speelt zich momenteel af in een village fleuri. Ik geef toe, het comité national pour le fleurissement de la France is best kwistig met dit label. Vaak rijd je zo’n dorpje binnen met de belofte dat je de Gentse Floraliën of Keukenhof induikt, en dan moet je het stellen met een paar bloempotten rond een monument voor de gesneuvelden. Zo kan ik het ook, een bloemendorp zijn. Maar zolang de dorpskern ruikt naar eau de toilette, zeker in dit seizoen, hoor je mij niet klagen. Bio-Chanel. De zorg voor al die vegetatie is indrukwekkend. Wandelpaden, die zo goed als verboden terrein geworden zijn, je mag...

De pruimenpluk

De pruimenpluk blijkt zowaar een klassiek liefdesverhaaltje, waarin een man zijn zelfgekozen isolement opgeeft voor een vrouw die zijn verkilde hart langzaam ontdooit. De pruimenpluk speelt zich af in een afgelegen gehucht van 23 inwoners dat verdacht veel lijkt op het afgelegen gehucht van 23 inwoners waar Dimitri Verhulst een tijdlang zélf woonde: het Zweedse Stora Bogarda, een ruimtelijke ­onderafdeling van het dorp Härryda. Anderhalf jaar ­bivakkeerde Verhulst in Zweden.

Mattis is een eenzame misantroop met een ouder wordende hond. Hij staat min of meer op het punt een einde aan zijn leven te maken, wanneer Elma zijn leven binnenkomt. Ze is mooi, heeft geen schroom zich naakt te tonen, kan huishoudelijke karweitjes (de waterpomp) opknappen. Elma lijkt het type van de ideale vrouw.

Ze kan haar overleden echtgenoot Erik niet vergeten en wil met Mattis geen dingen doen die ze met Erik deed. Maar ze heeft een verleden en dat zit haar hinderlijk in de weg. De kentering in haar leven komt wanneer Mattis de suggestie oproept dat Erik een minnares heeft gehad. Hij moet echter concurreren met een 'lijk' en is jaloers op de overleden echtgenoot die hij probeert te imiteren. Daarmee bereikt hij niet de kern van Elma. Wanneer ze in de winter weg is en hem met brieven benadert, weet hij wat hem te doen staat. Enigszins verraderlijk beschuldigt hij Erik postuum van overspel.

De roman is simpel opgebouwd. Er zijn 24 hoofdstukken die geen titel en geen nummering hebben. Ze worden onderling van elkaar gescheiden door witregels. Het decor is een klein dorp (waar dan ook) met ongeveer 23 inwoners die elkaar nauwelijks groeten. Bij de woning van Mattis ligt een meer. Daar ontmoet hij zijn nieuwe liefde Elma voor het eerst. Het geïsoleerde dorp is eigenlijk geen topografische ruimte maar een symbolische of belangenruimte, die naar de aanvankelijke eenzaamheid van de verteller verwijst. Als je naar de omgeving kijkt, hoeft het dorp niet in Vlaanderen te liggen. Uit een interview met de auteur zou je ook kunnen afleiden dat het een Zweeds dorpje betreft.

Ook wat de tijd betreft maakt de verteller de lezer weinig wijzer. Het verhaal begint vroeg in de zomer en eindigt in de lente. een driekwart jaar erna. De vertelde tijd is dus ongeveer negen maanden, maar je weet niet in welk jaar het verhaal speelt. Het cynisme (zwarte humor) van Verhulst is in deze roman heerlijk. De stijl van Dimitri Verhulst is een werkelijk genot om te lezen. Maar je moet dan sarcasme en cynisme wel kunnen waarderen. Ook kun je aan de tekst aflezen dat Verhulst een Vlaamse schrijver is.

Een falende man die een nieuwe kans in het leven krijgt als hij een mooie weduwe Elma ontmoet. Die past uitstekend bij de eenzame verteller die zich een misantroop noemt. De stijl van Dimitri Verhulst is cynisch, sarcastisch en humorrijk. Dis echter nog niet klaar met de rouwverwerking van de dood van haar man. Dimitri Verhulst heeft maar 150 pagina's nodig om een heerlijk verhaal te schrijven. Ik moest er in ieder geval vreselijk om lachen.

Bizar verhaal over een fan van Gert Verhulst

Met jarenlange bekendheid heeft Gert Verhulst al flink wat meegemaakt. Wil je onbeperkt toegang tot alle Zeker Weten Goed verslagen? Hij vertelt nu een heel bizar verhaal over een fan... Gert was onlangs te gast bij VRT Radio 2 en daar kreeg hij de vraag wat het gekste was wat hij ooit heeft meegemaakt met een fan. In plaats van een hilarisch verhaal, kwam er een verhaal dat een scène uit een misdaadserie zou kunnen zijn.

Gert vertelt: ‘Iemand schreef mij een brief en die was bevlekt met bloed. Dit alles ging om een Nederlandse fan. ‘De politie stond aan mijn deur. Ik zei: ‘Mannen, je moet me komen beschermen.” De politie nam de zaak heel serieus en kwam met een heel team naar zijn woning. Gelukkig voor Gert is de man nooit gekomen. Nu kan Gert er gelukkig om lachen, want het is inmiddels zo’n 30 jaar geleden, maar het was best schokkend allemaal. Misschien wel de meest geliefde familie van België én Nederland: de familie Verhulst. Ook zijn vrouw Ellen, zoon Viktor en dochter Marie zijn inmiddels niet meer weg te denken van tv.

labels:

Zie ook: