Het lied ‘Zomaar een dak’, beter bekend door de openingszin ‘Komt nu met zang van zoete tonen’, behoort tot de oudere liederen van Huub Oosterhuis en is een van zijn meest bekende en meest gezongen liederen. Al decennia lang behoort het tot de meest geliefde openingsgezangen. De ongebruikelijk lange titel geeft precies aan waar het lied over gaat: ‘Lied over de plaats waar wij bijeengekomen zijn’.

De Tekst en Betekenis

De quasi nonchalante openingszin met de woorden ‘zomaar’ en ‘wat hoofden’, alsof er iets toevalligs ontstaat achter een net zo toevallig openstaande deur, geeft dit lied een heel eigen sfeer en populariteit. Daarbij opgeteld de melodie van ‘Komt nu met zang van zoete tonen’, maakt het geheel graag gezongen. Het lied is echt een lied om de kerkdienst mee te beginnen.

Het lied bestaat uit drie strofen met een voor kerkliederen minder gangbare omvang van zeven regels. Misschien heeft dit aantal regels ertoe bijgedragen dat er geen volledig doorgevoerd rijmschema is gehanteerd. Alleen de tweede en vierde regel van elke strofe rijmen op elkaar (in de derde strofe middels halfrijm) en de laatste twee regels.

Deze laatste twee regels zijn bovendien even lang en korter dan de overige regels. Zowel het rijm als de lengte zorgt ervoor dat deze twee regels als een climax of conclusie functioneren van elke strofe. De betekenis van de samenkomst van de gemeente wordt aan de hand van drie invalshoeken toegelicht. Elk van de drie strofen werkt een van deze invalshoeken uit. De viering van eucharistie/avondmaal vormt daarbij het referentiepunt.

De Drie Strofen

In de eerste strofe staat de ruimte centraal waar de gemeente samenkomt om te vieren; in de tweede strofe gaat het over de dienst van het woord met de lezing uit de Schrift en de overweging; en de derde strofe gaat in op de viering van eucharistie/avondmaal. De eerste strofe handelt over het kerkgebouw dat in de aanhef wordt aangeduid met het onbepaalde ‘zomaar een dak’ dat zich even onbepaald bevindt ‘boven wat hoofden’.

De inzet van het lied suggereert daarmee een zekere willekeur en wekt de indruk dat het gebouw eigenlijk niet van belang is. Gaandeweg de strofe wordt echter duidelijk dat het inderdaad niet om het kerkgebouw op zich gaat, maar om de gemeente waar het gebouw zich mee vult. Het kerkhuis krijgt pas een functie wanneer de gemeente er samenkomt; daar ontleent het zijn betekenis aan.

Al meteen echter transformeert het beschreven (kerk?)gebouw in een huis dat een levend lichaam is, met ‘muren van huid’ en ‘ramen als ogen’, waardoor je naar binnen én naar buiten kunt kijken. Maar het wordt pas een levend huis als wij er binnengaan. Als wij er binnengaan, wordt het stenen gebouw pas ‘een levend lichaam’. De materie waar het gebouw uit opgetrokken is, krijgt dan menselijke trekken: de muren zijn ‘van huid’ geworden, en de ramen zijn ‘als ogen’.

Volgens de tweede strofe klinken in dat kerkgebouw woorden uit een ver verleden. De verhalen uit de Schrift zijn als ‘vallende sterren’ die richting geven of als ‘vonken’ waar we ons aan kunnen warmen; het zijn woorden die als zaadjes in ons tot wasdom moeten komen. Beide brandpunten van de eredienst worden vervolgens bezongen. Het tweede couplet begint meteen met ‘Woorden’ en het derde met ‘Tafel’.

De dienst van het Woord waaiert direct uit over een rijk taalveld: in de woorden (‘van ver’) klinkt heilsgeschiedenis mee (‘vonken verleden’) die ook in het hier en nu weer actueel kunnen worden (‘hier gezaaid’). De bijbelverhalen bieden ons interpretatiekaders voor wie God of Christus is (‘namen voor Hem’), maar wiens naam in dit couplet eveneens onuitgesproken blijft. De profeten wijzen op Hem (‘dromen, signalen’).

Na de dienst van het Woord begint die van de Tafel, de Tafel van de Ene, die tegelijkertijd tafel is van één gemeenschap. Die beeldspraak is nog dieper, want de rekenkundige ‘tafel van één’ telt tot tien, dus iedereen hoort erbij. Ten eerste wordt de Tafel beschreven als een tafel van samen (‘elkaar gegeven’) - ook hier gaat de gemeenschap voorop! Pas waar het brood dan onderling gedeeld wordt, wordt het een ‘wonder van God’.

De heiligen van naam die zijn voorgegaan, doen mee (‘oud’) en iedereen die nog zal komen (‘nieuw’). In de kerkruimte staat een tafel, de ‘tafel van Een’, wat kan duiden op de tafel van de Ene, van God die ons samenroept en verzamelt rond die tafel, dan wel verwijst naar de gemeenschap die zich rond de tafel tot een eenheid smeedt. Er wordt brood gedeeld als teken dat het leven een gave is en dat we voor elkaar een gave zijn: ‘dat we elkaar gegeven zijn’.

De Melodie en Historische Context

De woorden zijn geschreven op de volksliedmelodie ‘Comt nu met sangh’ (zie Liedboek 865). De muziek is een ‘branle’, dat is een springdans. Voor een toelichting bij de melodie: zie Liedboek 865.

Wie opgroeide met de hervormde zangbundel van 1938, kent de rubriek ”Vaderland” achter in dit gezangboek. Met daarin liederen als het Wilhelmus, ”Gelukkig is het land”, ”Wilt heden nu treden” en ”O Heer, die daar des hemels tente spreidt”. Bij elk van die liederen stond steeds de naam van Valerius afgedrukt. Het waren gezangen die vooral klonken rond (toen nog) Koninginnedag en Bevrijdingsdag.

Steeds viel dus de naam van Valerius. En automatisch koppelde je die aan de roerige wordingsgeschiedenis van ons land, aan vaderlandsliefde, aan het Oranjehuis. Pas veel later bladerde ik voor het eerst door de uitgave waaruit deze bekende liederen oorspronkelijk afkomstig zijn. De bundel ”Neder-landtsche gedenck-clanck” uit 1626.

Adriaen Valerius en de "Neder-landtsche gedenck-clanck"

Het gaat niet om zomaar een liedboekje uit de eerste helft van de 17e eeuw. Het betreft een compleet geschiedwerk van bijna 300 pagina’s. De titelpagina geeft precies aan wat het boekwerk biedt: een verhaal over de zeventien Nederlandse provincies vanaf het begin van de „troublen” tot aan het jaar 1625. Een geschiedenis van de Opstand dus.

Adriaen Valerius, want hij is de auteur, heeft het verhaal gelardeerd met platen, gedichten, liedjes en verwijzingen naar de Bijbel en geleerde boeken. Aan de muziek van de in totaal 76 liederen -bijna allemaal nieuw gemaakt- heeft hij bijzondere aandacht besteed: elk lied heeft een melodienotatie én een zogenoemde tabulatuur voor luit en cimbaal - muziek om het lied te kunnen begeleiden op deze instrumenten.

Het hele boekwerk is bedoeld om te dienen tot „stichtelijk vermaak en lering” van alle „liefhebbers van het vaderland”, aldus de titelpagina. Blader je door deze ”gedenkklank”, dan wordt direct duidelijk wat Valerius doet. Hij vertelt het verhaal van de wording van de Nederlanden, met in de kantlijn steeds korte samenvattingen.

Adriaen Valerius is vooral bekend van deze ”Neder-landtsche gedenck-clanck”. Wanneer hij precies geboren is, is onduidelijk - ergens rond 1575 in Middelburg. Hij trouwt met de dochter van de burgemeester van Veere en wordt actief in het bestuur van het Zeeuwse stadje. Aan het eind van zijn leven is Valerius een welgesteld man.

Echt naam maakt de Veerse notabele echter met het werk waar hij de laatste jaren van zijn leven aan wijdt: de ”Neder-landtsche gedenck-clanck”. De verschijning van zijn boek maakt Valerius helaas niet meer mee - hij sterft in 1625. Maar een jaar later zorgen zijn erfgenamen ervoor dat het werk in Haarlem alsnog het licht ziet, in een prachtige uitgave.

De ”gedenkklank” raakt echter al snel in de vergetelheid. Pas in de 19e eeuw komt het werk van Valerius weer in de belangstelling te staan. En dan niet vanwege het vurige historische verhaal dat hij vertelt - dat is weinig meer dan een gekleurde samenvatting van wat eerdere geschiedschrijvers hadden opgeschreven. Maar vanwege de 76 liederen die het boek telt, die op 3 geuzenliederen na (waaronder het Wilhelmus) allemaal van de hand van Valerius zelf zijn.

In de 20e eeuw neemt de belangstelling nog meer toe, met name rond de Tweede Wereldoorlog. In de hervormde zangbundel van 1938 worden maar liefst acht liederen uit de ”Neder-landtsche gedenck-clanck” opgenomen. En midden in oorlogstijd ziet in 1943 een herdruk van Valerius’ boek het licht.

Ook bij de samenstelling van het ”Liedboek voor de kerken” in 1973 is er nog aandacht voor de ”Neder-landtsche gedenck-clanck”. Opnieuw zijn acht liederen uit Valerius’ werk geselecteerd.

Dan stagneert de belangstelling. In het nieuwe ”Liedboek” van 2013 staat welgeteld nog één lied van Valerius: ”Komt nu met zang van zoete tonen”. En de bundel ”Weerklank” uit 2016 heeft geen enkel lied van de Veerse dichter meer opgenomen.

Niettemin leven de persoon en met name het werk van Adriaen Valerius 400 jaar na zijn dood voort. Tijdens aubades op Koningsdag klinken zijn liederen nog altijd. Bij Oranjeconcerten kun je de ”Valeriussuite” van Willem Vogel te horen krijgen. En last but not least: Veere houdt de herinnering aan zijn oud-inwoner levend.

labels:

Zie ook: