De titel Kennen en herkennen dekt precies de lading. U leert de levenscyclus van de plaag en de vele fases ervan kennen. Dankzij de gedetailleerde illustraties en close-up foto’s leert u herkennen met welke plaag of ziekte u te maken heeft. Met dit boek heeft de lezer de nodige informatie in handen om te begrijpen hoe de interactie tussen plagen, ziekten en hun natuurlijke vijanden verloopt. Er wordt uitgelegd hoe ze zich verspreiden in het gewas, tot welke schade ze kunnen leiden en welk specifiek gedrag ze vertonen.

Rassenkeuze en Resistenties

Bij de rassenkeuze dient een teler eerst te kiezen voor de juiste resistenties, bestaande uit resistenties tegen (aanvullend) rhizomanie, rhizoctonia en bietencysteaaltjes. Alle in Nederland verkochte suikerbietenrassen zijn sinds 2007 partieel resistent tegen rhizomanie. Deze resistentie berust op het gebruik van één resistentiegen (Rz1). Ook bij toepassing van deze rassen kunnen later in het seizoen een beperkt aantal planten met een bleekgeel of bleekgroen verkleurd loof voorkomen.

Eind 2010 is vastgesteld dat op percelen met extreem veel blinkers (meer dan circa 2-5%) of op plekken en stroken met blinkers een resistentiedoorbrekende variant (bijvoorbeeld met de nadere variant aanduiding AYPR, TYPR of VYPR) van het rhizomanievirus voorkomt. Om dergelijke varianten te beheersen is aanvullende resistentie nodig. Een ras met aanvullende resistentie tegen rhizomanie bevat twee resistentiegenen (Rz1 en Rz2). Meer informatie over rhizomanie kunt u lezen in paragraaf 10.7.1 ‘Rhizomanie’ van de teelthandleiding.

De bodemschimmel Rhizoctonia solani kan veel schade aan de bieten veroorzaken. Chemische bestrijding is niet mogelijk en daarom is het kiezen van een geschikt bietenras voor het perceel een belangrijke stap in de beheersing. Is er risico op rhizoctonia, dan is het advies om een rhizoctoniaresistent ras te bestellen. Of er rhizoctonia op een perceel zal voorkomen is nooit met zekerheid te voorspellen, maar het risico is groot als in een gebied veel rhizoctonia voorkomt en in het bouwplan regelmatig goede waardplanten van rhizoctonia voorkomen.

In de bovenstaande gevallen is een rhizoctoniaresistent ras de beste keuze. Op percelen waar een risico op rhizoctonia bestaat komen soms ook bietencysteaaltjes voor. Het resistentieniveau van de rassen verschilt. Dit wordt in tabel 1 van de rassenlijst weergegeven in de kolom ’ rhizoctoniaresistentie’ met de aanduiding zeer goed, goed of matig. Ondanks dat rhizoctoniaresistente rassen de schade aanzienlijk kunnen beperken is de resistentie van deze rassen niet volledig. Vooral bij een vroege aantasting kan nog plantuitval plaatsvinden.

In vrijwel alle teeltgebieden komen aantastingen door bietencysteaaltjes voor. Er zijn twee soorten: het witte bietencysteaaltje (Heterodera schachtii) en het gele bietencysteaaltje (Heterodera betae). Bietencysteaaltjesresistente rassen beperken de vermeerdering van en de schade door zowel het witte als het gele bietencysteaaltje. De relatieve opbrengst- en kwaliteitsgegevens van de partieel resistente rassen staan vermeld in tabel 2 van de Brochure Suikerbietenzaad. Op proefvelden met een matige tot zeer zware beginbesmetting van bietencysteaaltjes is de opbrengst van de resistente rassen aanzienlijk hoger dan die van de vatbare rassen.

Al bij een lichte besmetting of bij twijfel over de aanwezigheid van bietencysteaaltjes kan het lonen om een bietencysteaaltjesresistent ras te kiezen. De teler dient wel rekening te houden met hogere zaadkosten voor deze rassen. Heeft het perceel geen bietencysteaaltjes (bij voorkeur met een grondmonsteranalyse vastgesteld), dan kan de teler eveneens een keuze maken uit de lijst van rhizomanieresistente rassen.

Bladgezondheid en Cercospora

In de Aanbevelende Rassenlijst en Brochure Suikerbietenzaad is vanaf 2022 ook informatie opgenomen over de bladgezondheid van rassen ten aanzien van cercospora op basis van drie jaar onderzoek. De bladgezondheid wordt weergegeven met een klassering die loopt van cijfer 9 (zeer hoge bladgezondheid) tot 4 (zeer lage bladgezondheid). De indeling van de rassen is gebaseerd op waarnemingen die in de periode 2021-2024 zijn uitgevoerd op speciaal aangelegde proefvelden voor beoordeling van de bladgezondheid van rassen.

Deze proefvelden zijn aangelegd in regio’s waar een hoge bladschimmeldruk verwacht werd en tijdens het groeiseizoen zijn geen fungicidebespuitingen uitgevoerd. In 2021-2024 ontstond vooral aantasting door cercospora en niet of nauwelijks door andere bladschimmels.

Zaadbehandeling en Bewaring

Bietenzaad bevat gewasbeschermingsmiddelen (fungiciden en soms ook het insecticide Force) en daarom is het advies om handschoenen te dragen bij het omgaan met het zaad. Bij het gebruik van pillenzaad, waar het insecticide Force in zit, mag het zaad niet bloot komen te liggen in verband met giftigheid voor vogels en zoogdieren. Uitzaai van gepilleerd zaad met insecticide (Force) is alleen toegelaten met behulp van precisiezaai.

Voorkom daarom elke blootstelling aan vocht voor, tijdens en na het zaaien, anders kan de kwaliteit al aangetast zijn voordat het bietenzaad de bewaring in gaat. De geadviseerde bewaarmethoden zijn vooral van toepassing op zaad dat u wilt bewaren voor het volgende jaar. Indien u zaad in hetzelfde zaaiseizoen nog wilt gebruiken is het voldoende om dit droog in de originele verpakking te bewaren. Voor de langere bewaring hebben de bovenstaande methoden de meerwaarde dat de kiemenergie en actieve stoffen beter worden geconserveerd ten opzichte van alleen droog wegzetten.

Zorg dat altijd duidelijk is welk ras bewaard wordt en wanneer het is ingezet; bijvoorbeeld door een kopie van het NAK-label duidelijk zichtbaar aan de buitenkant van een vat, ton of plastic zak te bevestigen. Zorg dat het bietenzaad hermetisch kan worden afgesloten van de omringende lucht door een zuurkoolvat of weckfles te gebruiken. Voeg een zak met silicagel toe, daarmee wordt het zaad ingedroogd. Let op dat het zaad niet in een ruimte (bijvoorbeeld op zolder) wordt bewaard, waarbij het in de zomer erg warm (>35°C) kan worden.

Schieters en Onkruidbieten

Een suikerbiet is een tweejarige plant. In het tweede jaar gaat zij over in de generatieve fase en gaat een bloeiwijze vormen en zaad produceren. Onder bepaalde omstandigheden kan de suikerbiet echter al in het eerste jaar in de generatieve fase komen en ontstaat als het ware een eenjarige vorm.

De opwekking van schietervorming in suikerbieten wordt ingezet door vernalisatie. Dit is een biochemisch proces in de plant dat in gang gezet wordt door koude omstandigheden of andere stresscondities. Bietenplanten met voldoende vernalisatie gaan schieten bij een daglengte van meer dan twaalf uur. Het proces van vernalisatie kan (deels) teruggedraaid worden door hoge temperaturen en veel licht. Dit proces heet devernalisatie.

Vaak zien we in de bietenpercelen de schieters pleksgewijs voorkomen. Het pleksgewijs optreden van schieters wijst op de aanwezigheid van onkruidbietenzaad in de grond. Door het niet goed bestrijden van schieters in het verleden, is door de schieters rijp zaad geproduceerd en is dit zaad in de grond achtergebleven. Schieters concurreren bovendien sterk met de niet geschoten bieten voor voedingstoffen en vocht, maar vooral nemen ze veel licht weg voor de omringende planten. Geschoten bieten zijn moeilijker te rooien.

Komkommerbontvirus

Komkommerbontvirus blijkt zeer persistent te zijn. Niet alleen kan het virus een periode van 2 maanden overleven op kleding, maar ook het wassen van deze kleding bij 40 of 60 graden kan het virus weerstaan. Pas met een wasbeurt bij 90 graden is al het virus afgedood. Hygiënemaatregelen aangaande kleding van medewerkers en bezoekers moeten hier rekening mee houden.

labels:

Zie ook: