De bemesting met stikstof (N) is van groot belang voor de opbrengst van alle gewassen en dus ook van aardappelen. De productie van droge stof is direct afhankelijk van de beschikbaarheid van stikstof. Dit komt doordat stikstof een onderdeel is van de eiwitten in het bladgroen (chloroplasten).

Voorbereiding van het Pootgoed

Wanneer je overweegt om zelf aardappelen te kweken, wacht dan niet te lang om het pootgoed uit te kiezen. Zeker wanneer je op zoek bent naar een specifieke variëteit. Door je pootaardappelen al vroeg in het jaar te kopen, profiteer je niet alleen van een ruim aanbod, maar heb je bovendien nog voldoende tijd om de knollen te laten kiemen.

Voorgekiemde aardappelen zullen sneller oogstklaar zijn. Ze hebben immers al scheutjes gevormd nog voor ze geplant worden. Om de pootaardappelen goed te laten kiemen, leg je ze het best naast elkaar in bakjes. Zet ze vervolgens gedurende een drietal weken op een koele plek (ca. 10° C) en zorg ervoor dat ze voldoende licht krijgen. In de tussentijd kan je het perceel voor de aardappelen alvast plantklaar maken.

De Ideale Grond voor Aardappelen

De meeste grondtypen zijn geschikt voor aardappelen, maar ze doen het vooral goed in een vruchtbare, goed drainerende grond. Weet ook dat aardappelen het liefst een iets lagere zuurtegraad hebben (pH= 5-6). Ze zijn dan minder gevoelig voor schurft. Een aardappelveldje kan je daarom beter niet bekalken.

Bereid het perceel voor de aardappelen op dezelfde manier voor als de andere percelen in je moestuin.

Aardappelen Poten

Wanneer kan je je aardappelen poten? Zodra de grond warm genoeg is en er geen nachtvorst meer wordt verwacht, kan het gekiemde pootgoed de grond in. Om het planten te vergemakkelijken, maak je de grond net voor het planten het beste nog even goed los. Bij het aanplanten doe je er goed aan voldoende kalium in het plantgat mee te geven, bijvoorbeeld in de vorm van DCM Tuinkali / Tuinpotas. Kalium bevordert immers de vruchtvorming en zorgt voor dikke, stevige en smakelijke aardappelen.

Plant de aardappelen in rijen. Zorg voor voldoende afstand tussen de rijen (± 70 cm), zo kan je je aardappelplanten achteraf gemakkelijker aanaarden. Maak plantgaten van zo’n 5 cm diep. In lichte grond (zandgrond) mogen ze zelfs iets dieper zijn (tot 10 cm). Respecteer een afstand van 30 tot 50 cm tussen de plantgaten. Leg vervolgens in elk plantgat een knolletje. Let erop dat de knolletjes met de mooiste scheut naar boven liggen.

Vul de plantgaten verder aan met grond, druk zachtjes aan en geef water. Na 4 weken is het loof al goed opgeschoten en moet je aanaarden.

Aardappelen Aanaarden en Bemesten

Een paar weken nadat je je aardappelen gepoot hebt, zie je meestal de eerste stengels met blaadjes boven de grond verschijnen. Zodra de bovengrondse stengels ongeveer 15 cm hoog zijn, is het tijd om je aardappelplanten aan te aarden. Dat betekent dat je de grond rond de stengels aan beide kanten van de plantrij gaat ophogen. De jonge stengels zullen hierdoor grotendeels bedekt worden met aarde. Indien er nog nachtvorst verwacht wordt, mag je ze zelfs volledig bedekken. Zo zorg je voor extra bescherming. Het aanaarden herhaal je het beste nog een tweetal keren, telkens na 3 à 4 weken.

Tijdens het aanaarden doe je er goed aan om ook meteen een kaliumrijke voeding toe te dienen. DCM Meststof Aardappelen is een puur organische voeding met een hoog kaliumgehalte. Het aanaarden van je aardappelplanten heeft zo zijn voordelen:

  • Je planten worden gestimuleerd om meer ondergrondse stengels en dus meer aardappelen te vormen.
  • Het extra laagje aarde beschermt ze bovendien tegen nachtvorst en zorgt ervoor dat de reeds gevormde knollen niet blootgesteld worden aan het zonlicht, waardoor ze groen zouden kleuren.
  • De opgehoogde grond warmt tevens sneller op en voert de regen beter af.

De Ideale Locatie om Aardappelen te Kweken

De aardappelplant is een echt "zomerkind". De plant houdt van een warme omgeving, maar is niet zo gek op de middaghitte. Verder stelt de groente weinig eisen wat betreft de omgeving : een klassieke moestuin, een verhoogde moestuinbak, een plantzak en grote kuipen zijn allemaal geschikt voor de aardappelteelt. Zorg altijd voor voldoende ruimte. De aardappelplant heeft namelijk ruimte nodig voor de ontwikkeling van de wortels en de knollen.

Kunnen Aardappelen in Potten en Verhoogde Moestuinbakken Worden Gekweekt?

Aardappelen kan je zonder probleem in een moestuinbak of in een pot aanplanten, zolang ze over genoeg ruimte beschikken. Bovendien is het belangrijk dat je de moestuinbak op de juiste manier opvult. Als je aardappelen in een pot of bak wilt kweken, raden we je aan om er eentje te kiezen met een inhoud van minimum 15 liter. Deze moet eveneens voorzien zijn van minstens één afvoergat zodat het overtollige water gemakkelijk kan weglopen. Bedek de bodem met een laagje drainagemateriaal (vb. puimsteenkorrels). Deze korrels zullen zorgen voor een goede beluchting, het overtollige water zal gemakkelijker weglopen en de wortels zullen beter worden voorzien van verse zuurstof.

Een voedingsrijke biologische potgrond voor groenten vormt de ideale basis voor een gezonde wortelontwikkeling.

Wanneer Worden Aardappelen Geplant?

Pootaardappelen planten is mogelijk van maart tot juni. Alles hangt echter af van de variëteit. In maart of april kan je aardappelen zaaien op de vensterbank. Laat de jonge plantjes (of ze nu vers gekocht of zelf gekweekt zijn) wel eerst wennen aan het zonlicht door ze een paar uurtjes buiten te zetten.

Aardappelen Planten: Stap voor Stap

De ideale periode om aardappelen te zaaien is van maart tot juni. Dit hangt echter ook van de betreffende aardappelvariëteit af. Een kleine tip : nieuwe aardappelen worden bij voorkeur afgedekt met een folie of vlies om ze te beschermen tegen vorst. Zaai in maart of april voor op de vensterbank. Eens er geen vorst meer wordt voorspeld, kan je de jonge plantjes naar buiten verhuizen. Laat de plantjes wennen aan de zon door ze eerst enkele uurtjes buiten te zetten - of ze nu vers gekocht zijn of zelf gekweekt.

  1. Diep genoeg planten : het is belangrijk dat de pootaardappelen 8 tot 10 centimeter diep worden aangeplant, met de spruit naar boven. Elke aardappel zal een nieuwe plant produceren met 15 tot 25 dochterknollen.
  2. Aandrukken en begieten : druk vervolgens de grond goed aan en geef rijkelijk water.

Aardappelen Verzorgen

Of en hoeveel hongerige magen je zal kunnen vullen met je eigen aardappeloogst, hangt in grote mate af van hoeveel water de plant krijgt. De toevoer van water is namelijk heel belangrijk voor de dochterknollen. Daarbij moet je het juiste evenwicht zoeken : niet te veel, maar ook niet te weinig. We raden je aan om net voor de gietbeurt een vinger in de grond te stoppen om te voelen of bodem nog vochtig is. De waterbehoefte is afhankelijk van meerdere factoren : de weersomstandigheden, het substraat, de lichtinval en de vruchtvorming. De vruchten worden steeds groter tussen de tiende en veertiende week.

Kort na het begin van de bloeiperiode heeft de aardappel de grootste hoeveelheid water nodig. Hoewel de gietbeurt de eerste drie weken kan worden verwaarloosd, heeft de plant tussen de derde en de zesde week voldoende water nodig. Vuistregel : een lichtrijke en vochtige bodem is ideaal. Geef je aardappelen 's avonds water.

Aardappelen Bemesten

Aardappelen zijn sterk terende gewassen die veel voedingsstoffen nodig hebben om je aan het einde van de zomer van grote en smakelijke knollen te kunnen voorzien. Om dit te realiseren, kan je de bodem net voor de aanplanting verrijken met compost. Na acht tot twaalf weken kan je je aardappelplant voorzien van een verse portie meststof. Kies voor een aangepaste biologische meststof die alle belangrijke voedingsstoffen bevat. Strooi de korrels rond de plant en werk ze lichtjes in de bodem in. Geef vervolgens rijkelijk water om de werking van de meststof te activeren.

Aardappelen worden traditioneel aangeaard. Dit betekent dat de grond rond de scheuten wordt opgehoogd. Jonge planten worden zo diep aangeplant, dat enkel het bovenste bladpaar nog boven de grond uitsteekt.

Ziekten en Plagen op Aardappelen

Er zijn heel wat verschillende ziekten, plagen en teeltfouten die aardappelen kunnen aantasten : alternaria, schurft, knolrot en de aardappelziekte. Voorzie voldoende afstand tussen verschillende nachtschadeplanten (vb. tomaten).

Aardappelen Oogsten

Aardappelen kunnen tussen juli en oktober worden geoogst, afhankelijk van het ras. Uitgedroogde bladeren zijn een duidelijk teken dat het tijd is om te oogsten. Omdat de schil van de aardappelen hard wordt tot ze rijp zijn, mag je niet te vroeg rooien. Aardappelen met groene schil moet je verder laten rijpen. Gebruik bij het oogsten een aardappelschoffel en een schopje. De aardappelen mogen net vóór de opslag niet gewassen worden. Voor de opslag van aardappelen kan je luchtdoorlatende houten kisten gebruiken. Deze plaats je in een droge, donkere en koele ruimte. Bij een te lage temperatuur zullen de knollen een zoete smaak ontwikkelen. Bij een te hoge temperatuur en veel licht zullen de aardappelen echter beginnen kiemen. Omdat de kiemen en ook de groene schil solanine (een giftige stof) bevatten, vormen gekiemde aardappelen een gezondheidsrisico.

Niet alleen de omgevingsfactoren, maar ook de aardappelsoort bepaalt hoe lang de aardappelen bewaard kunnen worden.

Stikstofbemesting voor een goede opbrengst

Het doel van de bemesting van consumptieaardappelen is het behalen van een goede opbrengst van hoge kwaliteit. Voor het bereiken van een financieel optimaal resultaat moeten de toegediende meststoffen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt. Het vaststellen van de optimale bemesting, vooral die van stikstof, is maar beperkt mogelijk.

De mineralisatie is een belangrijke factor die altijd optreedt. De omvang ervan wordt bepaald door het organische-stofgehalte van de grond, de teelt van groenbemesters, het (langdurig) gebruik van organische mest en het weersverloop.

Toch is het met behulp van gewasanalyse wel mogelijk tijdens het groeiseizoen enige controle en bijsturing uit te oefenen.

De invloed van Stikstof op de Opbrengst

Stikstof beïnvloedt ook indirect de productie van droge stof. Stikstof versnelt de loofgroei, waardoor eerder volledige grondbedekking en daardoor een maximale productie wordt bereikt. Daarnaast zorgt stikstof ervoor dat het loof langer groen blijft. Ook daardoor kan gedurende het seizoen meer licht worden onderschept, waardoor de droge-stofproductie wordt verhoogd.

Wanneer de stikstofgift echter te ver wordt opgevoerd, wordt er meer loof gevormd dan voor een maximale knolproductie noodzakelijk is. Bovendien wordt dan de periode van knolgroei naar later in het seizoen verschoven. Wanneer vroeg wordt geoogst, kan hierdoor de knolopbrengst lager zijn.

Milieuaspecten van Stikstofbemesting

Wanneer consumptieaardappelen behoorlijk zijn afgerijpt, kan het loof meestal met alleen loofklappen worden vernietigd. In een erg onrijp gewas is het moeilijk of onmogelijk om het loof geheel mechanisch te doden. Een hoge stikstofbemesting veroorzaakt op deze manier een hoger verbruik van chemische loofdodingsmiddelen. Hetzelfde geldt voor de inzet van Phytophthorabestrijdingsmiddelen. Een erg loofrijk gewas is immers gevoeliger voor aantasting door Phytophthora.

Hoge stikstofgiften leiden daarnaast tot het na de oogst achterblijven van grotere hoeveelheden stikstof in de bouwvoor. Deze stikstof staat gedurende de winter bloot aan uitspoeling en kan daardoor grond- en oppervlaktewater belasten.

Richtlijnen voor Stikstofbemesting

In onderstaande tabellen 1 en 2 zijn economische richtlijnen voor de stikstofbemesting voor consumptieaardappelen op klei- en zandgrond en industrieaardappelen op zandgrond weergegeven. En de richtlijnen die meer rekening houden met een aantal van de eerder beschreven nadelige effecten die hoge stikstofgiften kunnen hebben op opbrengst, kwaliteit, inzet van bestrijdingsmiddelen en verliezen van stikstof.

Tabel 1. Richtlijnen voor de hoogte van de stikstofbemesting (kg N per hectare)
Bestemming Richtlijn (kg N/ha)
Consumptieaardappelen, kleigrond 285 - 1,1 * (N-mineraal 0-60 cm)
Consumptieaardappelen, zandgrond 300 - 1,8 * (N-mineraal 0-60 cm)
Aardappelen voor de droogindustrie, zandgrond 275 - 1,8 * (N-mineraal 0-60 cm)

De voor zand- en kleigrond verschillende richtlijnen zijn vastgesteld zonder rekening te houden met de teelt van groenbemesters en het gebruik van organische mest. Met deze laatste twee posten moet apart rekening worden gehouden, zoals in het navolgende nog wordt besproken.

Groenbemester en Dierlijke Mest

Wanneer in het najaar de teelt van een groenbemester plaatsvindt, mag hiervan in het volgende jaar een stikstofnalevering worden verwacht. De groenbemester neemt, afhankelijk van de stand, een zekere hoeveelheid stikstof op. Van een vroeg gezaaide, goed geslaagde groenbemester mag, afhankelijk van het tijdstip van onderwerken, een nalevering van 25 tot 50 kilo stikstof worden verwacht.

Ook de stikstofbijdragen uit dierlijke mest mogen niet worden verwaarloosd. Bij de werking van dierlijke mest moet onderscheid worden gemaakt tussen minerale stikstof (direct beschikbaar) en stikstof die in de loop van het seizoen door mineralisatie vrijkomt uit de organische stof van de dierlijke mest.

Bladsteeltjesmethode

De bladsteeltjesmethode maakt het mogelijk om gedurende de beginontwikkeling van het gewas te meten of het gewas over voldoende stikstof beschikt. De uitslag kan worden getoetst met behulp van een normlijn voor het nitraatgehalte. Wanneer de uitslag boven de normlijn valt, dan hoeft niet te worden bijgestrooid. Valt de uitslag onder de normlijn, dan moet wel stikstof worden bijgegeven.

Het al of niet bijstrooien van de laatste 40 kilo stikstof hangt af van de uitslag van de bladsteeltjesbemonstering. In veel gevallen blijkt het bijstrooien van stikstof niet nodig te zijn, zodat de totale stikstofgift lager kan blijven en op de kosten van stikstof wordt bespaard.

Het Stikstofbijmestsysteem (NBS)

Het Bedrijfslaboratorium voor Grond- en Gewasonderzoek te Oosterbeek heeft een systeem ontwikkeld dat is gebaseerd op grondmonsters. In dit systeem worden vanaf 3 à 4 weken na opkomst met tussenpozen enkele grondmonsters op stikstof onderzocht om vast te stellen of de bodem voldoende stikstof bevat om het gewas tot het eind van het seizoen voldoende groen te houden. Voor een goed inzicht zijn in de regel monsternames op meerdere tijdstippen nodig.

Bij het toepassen van rijenbemesting wordt bij het poten op 5 centimeter onder en ter zijde van de knollen een band van stikstofkunstmest aangebracht. Recent onderzoek heeft nog eens bevestigd dat de benutting van stikstof door deze methode in de regel niet hoger wordt.

Meststoffen

Stikstof kan in verschillende vormen worden toegediend. Een deel van de stikstof kan worden gegeven in de vorm van dierlijke mest. De hoogte van de gift wordt echter beperkt door zowel de hoeveelheid fosfaat als de hoeveelheid stikstof die met de mest wordt toegediend.

Wanneer kunstmest wordt gebruikt, is dat bij de eerste gift vaak in de vorm van een mengmeststof (bijvoorbeeld 23-23-0) of in de vorm van kalkammonsalpeter (kas). Deze eerste gift wordt bij voorkeur minimaal enige weken voor het poten toegediend.

Gedurende het groeiseizoen kan ook met stikstof worden bemest door bespuiting van het loof met ureum of urean. Dit kan voordelig zijn wanneer door droogte weinig stikstof kan worden opgenomen of een tweede gift niet tot werking zou komen.

Tips voor een Nauwkeurige Stikstofbijbemesting

  • De hoeveelheid bijbemesting is afhankelijk van de hoeveelheid stikstof die u al heeft gegeven. In de periode van opkomst tot een vol gewas heeft aardappel in totaal circa 150 kg/ha N nodig. Vanaf het moment dat de knolzetting is begonnen, moet het gewas steeds circa 50 kg N beschikbaar hebben.
  • Als u kunt beregenen, kunt u beter in meerdere keren een kleine gift (40-55 kg N = 150 tot 200 kg KAS) toepassen dan een grote gift in één keer.
  • Bij hogere temperaturen is vaak minder of pas later bijbemesting nodig, omdat er veel mineralisatie kan hebben plaatsgevonden.
  • Als er plaatselijk in korte tijd veel neerslag is gevallen, kan een deel van de stikstof zijn uitgespoeld. Een meting geeft dan inzicht in de stikstofbehoefte.

Nauwkeurige Bemesting per Perceel

Voor nauwkeurige bemesting per perceel kunt u tijdens het groeiseizoen metingen verrichten aan het gewas. Vanaf drie weken na opkomst kunt u de stikstofsituatie laten bepalen via een nitraatmeting in de bladstelen. Door deze metingen elke zeven tot tien dagen uit te voeren, volgt u het gewas op de voet.

Voedingsbehoeften van Aardappelen

De opname van voedingselementen verandert met de verschillende groeifasen van de plant. Hoewel de opname verschilt per locatie en afhankelijk is van de oogst, kunnen aardappelplanten 50% meer kalium dan stikstof nodig hebben. Een teelt kan bij een opbrengst van 38,5 t/ha meer dan 199 kg/ha kalium en 115 kg/ha stikstof aan de bodem onttrekken.

Fosfaat is met name in de vroege groeifase in relatief grote hoeveelheden vereist voor de wortelvorming en de knolinitiatie. Kalium is vooral van belang voor de realisatie van een hoge opbrengst, maar ook voor de gezondheid van de knollen. Een regelmatige toevoer van calcium is onmisbaar voor een stressvrije groei.

De rol van DCM Meststof Aardappelen

De Meststof Aardappelen van DCM is een 100% organische meststof, speciaal voor de aardappelteelt. De meststof is rijk aan kalium voor stevige en smakelijke aardappelen die lang houdbaar zijn. Alle DCM meststoffen bestaan uit meer dan 30 zorgvuldige uitgezochte gedroogde, stabiele en organische grondstoffen van hoge kwaliteit. Zowel van plantaardige als dierlijke oorsprong.

Dankzij de Minigran-technologie worden de grondstoffen verwerkt tot een heel klein, homogeen samengesteld korreltje.

Een NPK-waarde van 3-2-5 betekent dat het product 3% stikstof, 2% fosfor en 5% kalium bevat. De Meststof Aardappelen 3 kg is geschikt voor maximaal 40m2. Gebruik 0,8 - 1,2 kg per 10m2.

Wortelstelsel en Bladgroei

Aardappelen ontwikkelen een draderig wortelstelsel. Doorgaans worden deze wortels niet langer dan 60 cm. De bladgroei vindt plaats bij temperaturen tussen 7 en 30 °C, maar is het sterkst bij ca. 20 tot 25 °C. De aardappelknol is het vergrote deel van een worteluitloper (stoloon).

Hoe lager de bodemtemperatuur, hoe sneller de knolvorming en hoe groter het aantal knollen. Onder deze omstandigheden heeft de aardappelplant korte worteluitlopers en scheuten. Lage stikstofgehalten en hoge sacharosegehalten (suiker) in planten zijn gunstig voor de vorming van knollen. Eenmaal gevormd, ontwikkelen deze zich in gematigde klimaten snel bij een maximale groeisnelheid van 1400 kg/ha/dag.

Factoren die de Aardappelteelt Beïnvloeden

De opslagtemperatuur van het pootgoed is van doorslaggevend belang voor het regelen van de fysiologische veroudering. Aardappelen worden verbouwd op uiteenlopende bodems (zand, leem etc.) met verschillende watervasthoudende vermogens. Aardappelen gedijen het best op bodems met een pH-waarde tussen 5,5 en 7,0 met een laag zoutgehalte.

Vruchtwisseling

Een vruchtwisseling van minimaal 1 op 4 jaar is belangrijk om ziekten, plagen, aaltjes, Phytophthora en schimmels zoveel mogelijk te voorkomen. Aardappelen laten na de oogst een grond met een goede structuur na.

Pootaardappelen

Door het pootgoed uit te spreiden in bakjes en die een paar weken lang op een koele en zo licht mogelijke (maar niet zonnige) plaats te zetten kunnen de aardappelen al wat uitlopen op de ogen. Zelf leggen we (voor vroege en middelvroege aardappelen) zo rond half tot eind februari de aardappelen in de doosjes waarin je eieren koopt; zo ligt elke pootaardappel goed gescheiden van de rest, kan er voldoende licht bij, is er weinig kans op zweten of schimmel door vocht. De ideale temperatuur daarbij is 10°C.

Aardappelen poten

Kort voor de teelt maak je de grond daarom goed los, dat maakt het poten ook gelijk makkelijker. Aardappelen houden van een losse, humusrijke en luchtige grond.

Aardappelziekte en Phytophthora

Zorg daarom dus altijd dat je ernstig aangetaste planten van aardappelen en tomaten verwijdert zodat ze niet de andere planten aan kunnen steken. Of je aangetaste planten op de composthoop mag gooien zijn de meningen verdeeld; in principe kan Phytophthora niet overleven op dood materiaal maar zelf gooien we die planten toch liever niet op onze ‘gezonde’ composthoop.

Bemesting: de sleutel tot succes

Op een zure zandgrond is het raadzaam om wat kalk te gebruiken want bij een te lage pH kan er magnesiumgebrek optreden; bladeren worden dan geel, terwijl de nerven groen blijven. Daardoor kan de plant te vroeg afsterven waardoor er minder aardappelen geoogst kunnen worden.

labels: #Aardappel

Zie ook: