In dit artikel wordt de betekenis achter de uitdrukking "met volle overgave wordt het dessert gezegend" onderzocht, samen met reflecties op diverse thema's, waaronder Calvijns visie op economie en rentmeesterschap.

Calvijns Visie op Economie en Rentmeesterschap

Calvijns uitleg van de Bijbel laat zien dat hij sociaal en economisch gedrag niet als een autonome levenssfeer beschouwde, maar als een vitaal onderdeel van de christelijke aanbidding van God. Een vaak terugkerende frase die Calvijn hiervoor gebruikt is ‘negotium cum Deo’: alles wat wij doen in het leven, doen wij met God. Doordat hij economische gedragingen tegen het licht hield van Gods Woord, ontwikkelde Calvijn een radicaal Bijbelse visie op de economie.

In de christelijke ethiek drukt de metafoor rentmeesterschap uit dat de mens rekenschap moet afleggen tegenover God, die schepper is van alle dingen en aan wie om die reden alle dingen toebehoren. Rentmeesterschap betreft niet alleen de omgang met het milieu. Het omvat de hele praktijk van het christelijke leven, zoals dat tot uitdrukking komt in de houding en de handelingen van mensen. Het is de praktijk van systematisch en bewust omgaan met tijd, talenten en materieel bezit in de overtuiging dat deze zijn toevertrouwd door God. Dit geldt ook voor het beheer van financieel vermogen, waaronder het uitlenen van geld tegen rente.

Bankieren en het Renteverbod

Calvijns denken over economie is wellicht het meest bekend vanwege zijn vernieuwende visie op de legitimiteit van rente. Calvijn ging uit van de betrekkelijk ver voortgeschreden economische organisatie van zijn tijd en ontwikkelde zijn sociale ethiek op basis daarvan. Anders dan Luther, die zijn opvattingen tegen de achtergrond van de traditionele agrarische samenleving ontwikkelde, benaderde Calvijn de economie met de ogen van de zakenman. Hij koesterde geen achterdocht jegens de kapitalistische ondernemingsgeest en erkende de noodzaak van kapitaal, krediet en handel op grote schaal. Ook de financier kan een nuttige functie vervullen in de maatschappij. Geld is een middel om mensen met elkaar te verbinden. Door geld kunnen zij delen in de goederen van anderen.

Ten aanzien van leningen was Calvijn van mening dat rente wettig is. Dat het geld vruchteloos was, zoals door Aristoteles en de kerkvaders Ambrosius, Chrysostomus en de scholastieken werd gesteld, wees Calvijn af. Immers, als iemand een woning of een stuk land verhuurt, ontvangt hij toch ook een inkomen. Natuurlijk is het in combinatie met arbeid, dat het kapitaal productief wordt. Maar zonder het kapitaal kan de arbeid niet productief worden ingezet. Beide productiefactoren zijn complementair aan elkaar. De betaling van interest voor kapitaal is daarom even redelijk als de betaling van pacht voor land. De uiteindelijke reden om rente legitiem te achten is daarom voor Calvijn niet gelegen in Bijbels legalisme, maar in het principe van rechtvaardigheid.

Calvijn schoof de dikwijls geciteerde passages uit het Oude Testament en uit de werken van de kerkvaders op dit punt dan ook als irrelevant terzijde. Weliswaar wordt in de Thora de rente verboden, maar, zo stelt Calvijn bij zijn uitleg van Exodus 22,25, Leviticus 25,35-38 en Deuteronomium 23,19-20, deze teksten hebben betrekking op het helpen van de armen. Immers, daar wijst de context van deze teksten op. Calvijn maakt een cruciaal onderscheid tussen consumptief krediet aan armen enerzijds en investeringskrediet anderzijds.

Het eerste, dat enkel tot doel heeft om een arme in zijn directe nood bij te staan, levert voor de lener geen productieve waarde op. In het tweede geval wordt de lening evenwel aangewend om, in combinatie met arbeid van de lener, meer toegevoegde waarde te creëren. Calvijn vindt het dan redelijk dat de geldlener een vergoeding krijgt in de vorm van rente, omdat de ander met zijn geld winst kan maken. Het is daarom legitiem als de crediteur een compensatie krijgt voor het productief aanwenden van zijn kapitaal. De passages in het Oude en Nieuwe Testament over rente hebben voornamelijk betrekking op de eerste vorm van krediet.

Grenzen aan Rente

Calvijn gaat ook in op situaties waarin rente wel afkeurenswaardig is (Stückelberger 2007). In de eerste plaats mag geen rente worden gevraagd van de armen. Er mag geen voordeel worden genomen uit de armoede van anderen. In de tweede plaats mogen wij alleen geld uitlenen, als wij voldoende overhouden om onze plicht inzake vrijgevigheid na te komen. Het uitlenen tegen rente mag geen excuus zijn om het renteloos lenen te weigeren, met het argument dat dit de lener per saldo geld kost (opportunity kosten). In de derde plaats dienen wij, in overeenstemming met Lucas 6,31, de lening niet aan condities te onderwerpen die wij, als wij zelf zouden lenen, onacceptabel zouden vinden.

In de vierde plaats stelt hij dat het niet geoorloofd is om geldschieter te zijn. Ieder die zijn beroep ervan maakt, door bijvoorbeeld een bank op te richten, is een rover. Zo’n persoon zal zeker ongerechtigheid bedrijven en kan niet in de kerk geduld worden. In de vijfde plaats dient degene die het geld leent daar meer inkomen mee te verwerven dan de prijs die hij betaalt voor de lening. Anders is er sprake van woeker. Calvijn vindt het ook onwaardig als iemand geld verdient uit de arbeid van de landlieden, die zich met dagelijkse arbeid vermoeien, de werklieden, die met veel zweet anderen dienen, en de kooplieden, die zich niet alleen met inspanning afmatten, maar ook veel ongemakken en gevaren ondergaan.

Het is vreemd en oneerlijk als degene die het geld uitleent zelf in een luie stoel kan zitten zonder iets te doen en leeft van de arbeid van anderen. Calvijn veroordeelt dus wel het vragen van overmatige rente. Op de vraag wanneer een rente als overmatig moet worden beschouwd, geeft Calvijn geen direct antwoord. Als leidraad voor de beoordeling of iets billijk is, wijst Calvijn wederom op de richtlijn van Jezus uit Matteüs 7,12: “Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.” Het vragen van rente is toelaatbaar als het niet schadelijk is voor de broederlijke gemeenschap en niet strijdig met de gelijkheid.

labels:

Zie ook: