Het christendom had in ons Land eeuwenlang een zware strijd te voeren tegen de oude goden. Die herinnering leefde in begrippen en overleveringen, in spelen en vermaken, in gewoonten en gebruiken, en was diep geworteld in de volkstaal.

De evangeliepredikers mogten de heidensche altaren vernielen, en heilige boomen omhakken; maar de gedachte aan de oude goden uit den geest des volks rukken - dit vermogten zij niet. De evangeliepredikers mogten zelf streng vrome, vleeschdoodende geestelijken zijn; maar de frissche, vrolijke, levenslustige zijde van 't Germaansche volksleven wegnemen - dit vermogten zij niet.

Maar 't middel was spoedig gevonden; de Germaan kon voor de Kerk gewonnen worden, en toch behouden, wat hij liefhad. De heidensche feesten zelve werden gekerstend. Zij werden gemetamorfoseerd in hooge Christelijke feesten en heilige dagen, waarop het volk al zijne oude vermaken kon blijven genieten.

De geestelijkheid toonde zich gedurende geheel dit tijdperk - en vooral in de tweede helft der middeleeuwen, toen de welvaart en weelde meer en meer toenamen - gantsch niet ongunstig voor de volksvermaken gestemd; er werd op de Kerkelijke feestdagen zoo veel uitspanning genoten als maar mogelijk was, in allerlei vorm en soms met vrij wat dartelheid.

Onder de spelen des Adels in de middeleeuwen staan de tornooijen boven aan. Er is veel over geschreven, en ik behoef er hier geen schilderij van op te hangen. De Trojaansche spelen (Ludi Trojani) der Romeinen waren ruiterspelen, waarvan de equestrische exercitiën en evolutiën, die wij nog iedere kermis in het paardespel vertoonen zien, zoo wat een flaauwe schets geven kunnen.

Maar daardoor hadden de tornooijen dikwijls een bloedigen afloop; ja 't is meermalen gebeurd, dat verscheidene ridders op de plaats dood bleven; en de Kerk begon ze te verbieden. Elk, die er zou durven verschijnen, bedreigde zij met den ban; ieder, die op een tornooi omkwam, weigerde zij de gewijde aarde; - maar 't hielp niets.

De Hertogen van Gelder gaven menig schitterend tornooi op de Grootemarkt te Arnhem. Te Utrecht zijn dikwijls tornooijen op de Neude gehouden. De Graven van Holland deden zulks vroeger te 's Gravenzande op 't Hofland, later te 's Gravenhage op het Tornooiveld; dikwijls ook te Haarlem op het Zand, en in andere steden, o.a. te Dordrecht in 1352, waar Jonker Jan van Arkel bij omkwam.

Maar al was nu het tornieren een spel van den adel, en al hield zich de adel streng van ‘de kerels’ afgescheiden, en al waren zijn vermaken de hunne niet, toch was het tornooi een algemeen volksfeest, waar alle standen deel aan namen.

Naar het tornooi moest ieder komen kijken; en buiten de palen en staketsels, die met stevige touwen verbonden en bovendien met wachten wel bezet waren, pakte zich een onafzienbare volksmenigte zamen, in de bontste mengeling, die men zich kan voorstellen, of liever, die men zich in onzen tijd niet eens meer goed voorstellen kan.

Na de uitvinding van 't buskruit verloren de tornooijen hun beteekenis en stierven in de zestiende eeuw uit.

Een ander geliefkoosd vermaak van den Adel was de jagt. Jagen en vliegen in bosch en duin, met honden en valken, deden de Gravinnen en Edelvrouwen even gaarne als de Graven en Heeren, en zelfs de Geestelijken waren er op verzot, ofschoon 't dezen laatsten al van Karlemanjes tijd af verboden was.

Trouwens welk vermaak is er, dat aan den kwispel der zedemeesters, 't zij dan van vroeger of later tijd, heeft kunnen ontsnappen? Die heeren gunden nimmer iemand eenig vermaak, dan alleen zich zelven dat van anderen te berispen.

Er viel toen in ons Land, ja in 't hartje van Holland, dan ook nog vrij wat meer te jagen dan tegenwoordig. En waar onze Graven in de nabijheid eener stad joegen, was de regeering dier stad verpligt, hun het noodige te zenden voor hun knechten en paarden; - zoo, bij voorbeeld, vindt men in de Stadsrekening van Axel aangeteekend, dat, als in Augustus 1497 Filips de Schoone ‘in 't veld ter jacht was’, hem ‘twee tonne keyte (bier) en twee zacken evene (avene, haver),’ gezonden werden.

Aan het dobbelen waren de Edelen op hunne kasteelen niet minder verslaafd dan de ruwe Germanen in hunne wouden, en knapen en knechten volgden hun voorbeeld. Wie voor of na den maaltijd de ridderzaal binnentrad, kon Heeren en Vrouwen aan de worptafel of het tiktakbord vinden.

Edeler vermaak was het koninklijke schaakspel. 't Was van Oostersche vinding, en de Westersche ridderschap had het in de kruistogten leeren kennen. 't Stond zoo hoog in achting, dat het tot eene goede opvoeding behoorde, daar wel in onderwezen te zijn, en bij dat onderwijs verhaalde de meester zijnen leerling vele schoone historiën dat spel betreffende.

Hertog Arnoud van Gelder had een schaakbord en een schaakspel beiden half van goud en half van zilver. Na het midden der veertiende eeuw kwam 't kaartspel in de mode. 't Was in Italië al in 't laatst der 13e eeuw bekend, werd in de 14e eeuw ook in Frankrijk gespeeld, en kwam van daar in de Nederlanden.

Maar ook spelen, die lichaamsbeweging vorderden, vielen in den smaak van den Adel, het steenwerpen zelfs. Met kaatsen, kegelen en klooten of klossen vermaakten de Vrouwen zich zoowel als de Heeren. Graaf Willem VI verspeelde in de kaatsbaan somtijds zijn gouden tuin, d.i. zijn halsketen; - trouwens, dat was de gewoonte dier Heeren; als ze al hun geld verloren hadden, moest de keten, die aan hun hals hing, er aan gelooven.

Zang, dans en muziek behoorden althans in de 13e eeuw, meê tot de vermaken der Edelen, immers in kringen, waar de beschaving boven de oude ruwheid gesteld werd. Ja men begon het in het laatst dier eeuw reeds als een vereischte eener goede opvoeding te beschouwen, daarin ervaren te zijn.

Bij de gastmalen was lang tafelen en veel drinken 't grootste vermaak; 't laatste was een bewijs van moed en kracht. Of men vermaakte zich met het eijerenspel, wat op tweeërlei wijze gespeeld werd - in den boomgaard of in de zaal. In het eerste geval werd een ei met een koord aan een boomtak gehangen, en de spelers werden geblinddoekt en met een stok gewapend, waarmeê ze 't ei moesten stuk slaan; - een spel, dat altijd luid gelach verwekte, wanneer de blinde, ver van het doel afgedwaald, in de lucht stond te schermen.

Hertog Albrecht had eens na den maaltijd ‘drie speelmannen, d'een met een zwaert, d'ander met een gheterne ende die derde zanc. Dat de oude Germaansche zwaarddansers nog lang in de mode bleven, heb ik reeds opgemerkt; op het huldigingsfeest der Hertogin van Gelder in 1519 waren ook speellieden, die door de zwaarden dansten.

Maar vooral werden sprooksprekers er gaarne gehoord en ruim beloond. De Graaf van Oostervant gaf aan een spreker, die ‘een sproke van de Vriesche reize’ sprak, wel een oude Henegouwsche kroon; en Willem van Hillegaardsberg kreeg het dubbele van Hertog Albrecht, toen hij eens op Kersavond ‘gedichten geseyd hadde.’

De ontdekking van het elandschild

Vorige week woensdag, 30 januari 2013, presenteerde De Wereld Draait Door (DWDD) de herontdekking van een schild gesneden uit het gewei van een eland. Het curiosum was in 1952 door de Duits-Nederlandse bankier Mannheimer aan het Rijksmuseum cadeau gedaan, waar het sindsdien in de kelder bewaard werd.

Aan het schild kleefde een verhaal: het zou afkomstig zijn uit de abdij van St. Arnould te Metz, waar Lodewijk de Vrome (778-840) begraven werd, de vierde zoon van Karel de Grote, die hem opvolgde als koning van Frankrijk.

In het kader van werkzaamheden die voorafgingen aan de aanstaande heropening van het Rijksmuseum, kwam dit object onder ogen van de conservatoren Jan de Hond en Frits Scholten. C14 onderzoek bracht aan het licht dat het schild gedateerd moest worden tussen circa 980 en circa 1015.

Volgens Pleij hadden de Merovingers en de Karolingers een eetprobleem. Zij leden aan vraatzucht, ‘gula’ in het Latijn. Neem nou Lodewijks vader, Karel de Grote, die at als hij op dieet was, elke dag een kraanvogel, drie schouderstukken, één kapoen en drie kippen.

In zijn boekenkast vond Pleij een boek met foto’s van bladzijden uit een handschrift van een tijdgenoot, Hrabanus Maurus, met daarin een tekst die ofwel door Lodewijk besteld was ofwel aan hem was opgedragen. In dat handschrift stond een afbeelding van de vier evangelisten met hun symbolische dieren en in hun midden een dier, dat Pleij identificeerde als een eland.

Nadat het Rijksmuseum eerst had bekend gemaakt dat de C14 datering ca. 1000 had opgeleverd, werd een dag later bekend gemaakt dat het snijwerk dateerde tussen 1100 en 1150. Lodewijk stierf in 840. Dan zijn er op zijn minst 160 jaren verstreken en misschien wel 200 als het schild zijn huidige gedaante krijgt. Dat kan toch nooit ter nagedachtenis aan Lodewijk gedaan zijn?

labels:

Zie ook: