Het onderwijs heeft altijd de bijzondere belangstelling gehad van Carry van Bruggen. Ze kreeg er op verschillende manieren mee te maken: eerst natuurlijk als kind, daarna als onderwijzeres en ten slotte als moeder van twee kinderen.
Jeugd en Onderwijs
Als kind wordt ze gekonfronteerd met drie verschillende soorten scholen: de gewone lagere school, de Joodse school en de breischool. Op de Joodse school, waar haar vader onderwees, werd haar kennis bijgebracht over o.a. wetteksten, de Hebreeuwse taal, de bijbel, de Joodse symbolen en rituelen en de feestdagen. Herhaaldelijk brengt ze deze school in de verhalen over haar jeugd ter sprake, dikwijls in negatieve zin.
Terwijl de andere kinderen vrij hebben, moeten de Joodse kinderen op zondag naar school. De breischool, de tweede aanvulling van het lager onderwijs, was niet minder afschuwwekkend. Het programma was erg saai. De meisjes moesten kousen, borstrokken, slaapmutsen maken. Zaken die niemand zich nog in het hoofd haalde te dragen, zegt Carry in 1905 in haar rubriek in de Deli-Courant.
In Breischooltje (1910) geeft ze een nauwkeurige beschrijving van de deplorabele toestand in dit onderwijs en vertelt ze de ondergang van Pietje, de brei-juffrouw. In Heleen schrijft ze: ‘Geen enkele les echter haalde in afgrijselijkheid bij de Woensdagsche les in breien en naaien.’
Maar naast deze bijzondere vormen van onderwijs komt ook het gewone onderwijs er niet goed af in deze roman. ‘Heleen kreeg haar onderricht van meesters, die onder het bijbrengen van kennis het bijbrengen van reeksen aparte feiten verstonden, omdat ze voor zichzelf daarvan geen ander begrip en geen andere behoefte hadden.
Weinig van wat zij op school dus leerde, hechtte zich blijvend in haar vast, want het sloot niet aan bij wat haar innerlijk vervulde, die duistere en verwarde wereld van vragen en zuchten en vermoeden bleef van iedere verbinding met de uitwendige wereld verstoken.’ Naarmate Heleen zich meer en meer als individualiste ontpopt, stijgt haar afkeer van schoolse systemen.
Filosofie en Individualisme
Van de roman Heleen, de ontwikkelingsgeschiedenis van een jong meisje tot denkende vrouw, loopt een direkte lijn naar de filosofie in Prometheus. De schrijfster zelf heeft dit aangegeven. In Carry van Bruggens filosofie staat de tegenstelling individu-collectiviteit centraal.
Collectiviteit betekent uniformiteit in gedrag, blinde onderwerping, een grote mate van automatisme zonder werkelijk te onderscheiden. In die starre, hiërarchische gemeenschap van meesters en leerlingen komt Carry als kind voor het eerst in kontakt met gedragingen die karakteristiek zijn voor de collectieve mens: een blind geloven in eigen superioriteit, in eigen deugd, in eigen geloof, in eigen ras en een totaal gemis aan zin voor het betrekkelijke en aan vermogen om zich te verwonderen.
De schoolsituatie is in zoverre een voorafschaduwing van wat later de maatschappij zal laten zien. In het hoofdstuk over Carry van Bruggen en het Jodendom is al aangegeven hoe problematisch de situatie van de Joodse kinderen was. Hoe zich te handhaven als Joods kind in een gemeenschap van niet-Joden?
Jood zijn betekent in de school- en dorpsgemeenschap zowel uitgestoten zijn als uitverkoren zijn. Het dilemma voor het schoolkind is de vrees zich te onderscheiden en het verlangen zich te onderscheiden; het Joodse kind in het werk van Carry van Bruggen is tegelijk bang ‘excentriek’ te zijn als afkerig om ‘commun’ te zijn.
Carry van Bruggen heeft meermalen in haar werk aangegeven hoe belangrijk hier in deze problematische situatie de houding en het gedrag van het onderwijzend personeel is. Er is het veelvoorkomend type onderwijzer dat geen begrip heeft voor de bijzondere positie van het kind, zoals de meester in het verhaal Het onbegrepene, die geen oog heeft voor het drama van de jongen die van thuis de naam Jezus niet mag uitspreken.
Carrière als Onderwijzeres
Carry van Bruggen ging na de U.L.O.-school naar de normaalschool voor de opleiding tot onderwijzeres. Een carrière als onderwijzeres was in de laatste jaren van de 19de eeuw het hoogst haalbare voor een meisje van haar stand. De normaalschool te Zaandam was een kleine school, die geen ander voordeel had dan dat ze gelegen was in de onmiddellijke nabijheid van haar huis.
Haar ervaringen op die school en later vanaf 1900 als onderwijzeres in Amsterdam moeten voor haar frustrerend zijn geweest. Deli-Courant, hier opgenomen) Theo Thijssen en Bol, die hun hopeloze strijd tegen de ‘papieren paedagogiek’ waren begonnen. Thijssen had Bol leren kennen op de Rijkskweekschool te Haarlem.
Samen richtten zij in 1905 het tijdschrift De Nieuwe School op, waarvan de ondertitel luidde ‘Tijdschrift voor practische paedagogiek’. In het verhaal De meesters en in het meisjesboek De klas van twaalf brengt ze uitvoerig haar kritiek op de opleiding van onderwijzer ter sprake. In het eerste verhaal noemt ze de schoolmeester ‘prullerig’, bekrompen en zelfbewust.
Haar ervaringen als onderwijzeres, eerst op een armenschool en vervolgens op een ‘gegoede meisjesschool’ te Amsterdam heeft ze meermalen gebruikt in haar boeken. In veel van haar boeken zijn haar heldinnen onderwijzeres. Na haar onderwijzeressentijd blijft Carry zich interesseren voor opvoeding en onderwijs.
De gebruikelijke sollicitatieprocedure vond Carry van Bruggen zowel vernederend als lachwekkend. Al veel eerder, tijdens haar verblijf in Indië, toen ze al geen onderwijzeres meer was, nam ze in de Deli-Courant van 24 mei 1905 de onderwijswereld op de hak. Haar ironisch betoog over de ‘proefles’ verwerkt ze later in een kort verhaal, ‘De sollicitant’ (uit: Nederland, jrg.
Vooral in de onderwijswereld zijn tal van die stroomingen. Nu, het dient gezegd, dat de Hollandsche onderwijzer, speciaal de Amsterdamsche, werkelijk een aan-handen-en-voeten gebonden wezen is, zonder ook maar een schijn of spoor van onafhankelijkheid. Meer dan eens is er gewezen op 't contrast tusschen des onderwijzers gewichtige en moeilijke taak, die der opvoeding, en zijn volstrekte onmondigheid tegenover hoofd en autoriteiten.
Het gecontroleer, zooals dat in Amsterdam geschiedt, loopt waarlijk in 't belachelijke. Daar nu lediggang des duivels oorkussen is, vult het hoofd de ettelijke uren, die hem na z'n werk van schoolgeld ophalen en verzuimen-boeken nog overschieten - de man moèt nu eenmaal 26 uren 's weeks in het schoolgebouw slijten - met contrôle.
Nu is een hoofd-van-een-school te Amsterdam een hooge heer. Weliswaar was hij vroeger zelf onderwijzer, soms zelfs voorzitter van den recalcitranten ‘Bond’, maar dat alles beschouwt hij, naar illuster voorbeeld, als ‘oude plunje’. Er zijn uitzonderingen, maar de meeste paedagogen, die zoo gelukkig zijn de klasse te mogen verwisselen met het beruchte ‘kamertje’, ontaarden tot ware plagen voor hun ‘personeel’.
Voor arme drommels, die te Amsterdam een betrekking als onderwijzer of onderwijzeres zoeken, zijn de hoofden der scholen, vulgus bovenmeesters, geduchte machten. Je beeft er voor. En zijzelf voelen zich uiterst gewichtig, als ze uit 'n negentig of honderd candidaten een onderwijzeres mogen kiezen. Die negentig of honderd mensen moeten dan allemaal ‘proefles’ geven en de klassen van zoo'n school vervullen de rol van Guineesche biggetjes.
Sommige hoofden annonceeren in de courant bij de vermelding van hun vacature ‘Schriftelijk aanmelden’. En je gaat, solliciteren. Maar eerst win je inlichtingen in bij oudere, al geplaatste collega's. Die geeft je een hand, die niet. Bij deze moet-je stijf zijn, een ander verdraagt wel een grapje. Er zijn er dan ook werkelijk, die je in de gang laten staan bij de klompen en de boosdoeners, en anderen die je in het kamertje ontvangen.
Sommigen vragen je alles, naam, geloof, ouderdom, politiek, wat je vader doet of deed, waar je geboren bent, hoeveel broertjes of zusjes je hebt. Met je honderden heb je die getuigenis af te leggen. En dan is er één vacature ad f 600 in 365 dagen behalve de vacanties, als wanneer je toch nog stapels huiswerk te corrigeeren hebt.
Heeft de hooge heer je geen stoel gepresenteerd, dan blijf je staan, zijn er twee in 't kamertje, dan krijg je er meestal een, is er maar een, dan zit hij zelf. Onder 't afleggen van je getuigenis bekijk je natuurlijk angstig des bovenmeesters gelaat, fronst hij z'n voorhoofd, dan kun je zeker zijn, dat 't 'm volstrekt niet bevalt, dat je in Lutjewierum bent geboren.
Na dit komt dan de ‘proefles’. Op een bepaald uur word je ‘besteld’, met nog een of twee andere slachtoffers, meestal met nog een. Ook zijn er dan soms twee of drie bovenmeesters, die ook een vacature hebben en nu meteen uitzoeken. De heeren hebben het erg gezellig onder elkaar, ze praten en lachten in een hoekje van het kamertje. Je komt binnen en schichtig òp kijken je twee mede-slachtoffers.
Ze ‘prepareeren’ zich. De een heeft een groote cartonnen schoolplaat op de knieën, waarover ze straks aanschouwingsles moet geven. Ze martelt haar door veel proeflessen gepijnigd hoofd - dat wel naar wat anders staat - af, om te bedenken hoe ze straks met goed fatsoen vijftig haar onbekende wurmen van zes jaar een uur met die plaat moet bezighouden. Een man met een kar staat er op. ‘Lieve kindertjes, wat zou die man wel doen’.
In haar hoofd zeurt, onder 't bedenken, aanhoudend: zou-ik-dat-baantje-nou-eindelijk-krijgen-of-alweer-niet. Is het wonder dat de twee medesollicitanten (ik vergat nog de eene, die een versje ‘prepareert’) je niet te vriendelijk aankijken, als je binnenkomt. ‘Wil u maar gaan zitten, juffrouw’. Kalm, hoog, zegt het de bovenmeester. Zenuwachtig trek je je handschoenen uit. De andere hoofden hummen gewichtig. Er moet maar geimponeerd worden!
Dan krijg je een stoof in je handen of een waterketel of een hamer en ‘wil u naar aanleiding van dit voorwerp over een kwartier een aanschouwingsles van een half uur geven in de tweede klasse, ik kom u wel waarschuwen, u kunt u nu prepareeren’. Uilig zit je met z'n drieën in 't kamertje, in je mooiste blouse en met je netste schoenen. Mal voel je je met je koperen waterketel en tegenover je beide concurrenten met plaat en versjesboek.
Na een kwartier van wezenloos staren op je waterketel gaat de deur open, en het vage rumoer van een groote, volle school dringt binnen. Je concurrenten staan ook op, machinaal strijk je je rokken glad, voelt even aan je haar... Je begint met dankbaarheid. Dat is een deugd. Van je bovenmeester, die je uit den toestand van proefles-martelaar verlost heeft verdraag je dus alle mogelijke eigenwijzigheden.
Je bent een piepjong ding en o, zoo dom, hij is bedaagd en knap. Dat spreekt. Wat je door je leeraar op kweek- of normaalschool is voorgekauwd, wat je uit schoolmeesterlijkstijve paedagogiek-boeken hebt geleerd, vertelt hij je allemaal nogeens. Je bent onderwijzeres in de laagste klasse. Bovenmeester komt ‘controleeren’. Je bent aan het fröbelen. Je beeft.
Hij neemt de matjes en blokdoosjes op, drentelt door de klas, kijkt nuchter, houd je op. Als 't een ‘leuke’ is, maakt hij zooveel ‘grapjes’, dat je tien minuten na z'n vertrek de klas nog niet stil hebt. Om half twaalf moet je in 't kamertje komen. ‘Uw methode juffrouw... ja, ziet u, volgens wèlke methode werkt u nu eigenlijk... De Raaf en Baas of van Pelt, of Douma en Lem... ja, ziet u, kent u Kòònings wel, ‘De School’ en Geluk's Paedagogisch woordenboek... ja, ziet u juffrouw, volgens welke methode geeft u nu eigenlijk rekenles, ik bedoel, bij getallen van één tot tien. Ik zou daar Versluys eens op nalezen... of... ja, want ziet u... Och, meneer, ik doe dat maar zoowat... zooals de kinderen het 't prettigst vinden...
‘Nee, nee, nee juffrouw... methode, altijd methode, leest u daar Versluys maar eens op na. Toch, een bovenmeester is tenminste een collega... Maar daar heb je b.v. de ‘plaatselijke commissie van toezicht op 't lager onderwijs’ zooals dat officieel heet. Daar heb je van alles in. Die komen ook, ‘controleren’.
‘Zou ik uw cahiers eens mogen zien, meneer? ‘En kunnen de kinderen wel een aardig liedje zingen, juffrouw, wel, laat-me-dat-dan-eris-hooren’. En hoe ver bent u nu al met rekenen? Die zijn vreeselijk gewichtig. Deze inspectie is pas ingesteld, en deswege loopen ze met zware portefeuilles, maken over alles en nog wat aanteekeningen. Als ze binnenkomen kijken ze eerst naar hun horloge, en dan naar de lesrooster, om te zien, of je je uren wel volgens ‘methode’ indeelt!
Ze zijn hoog tegen de onderwijzers en schattig tegen de kindertjes. Dat hoort ook zoo. Zoo je dus om half negen je bovenmeester, om negen uur de schoolcommissie en om half tien den gemeentelijken inspecteur hebt gehad, dan kan het gebeuren, dat je in de zalige hoop leeft, voor dien dag genoeg te zijn ‘gecontroleerd’.
Maar zie, om tien uur kraakt de deur en daar heb je den Arrondissements-schoolopziener. Ook dat zijn deftige heeren, maar er zijn gelukkig geen dames bij. Bovendien zijn ze machtig, ze hebben stem in benoeming en promotie en het verdient dus aanbeveling ze het controleeren gemakkelijk te maken door 't aanbieden van een stoel.
Dat kan met gevoeg je eigen stoel zijn, want zelf mag je toch nooit zitten. Ze zijn gewoonlijk eigenwijs en een weinig arrogant in hun optreden. Ook zij controleeren. Cahiers, lesrooster, uren. Ze kijken critisch rond, ze controleeren netheid. Ze bestudeeren de handjes der leerlingen, ze controleeren accuratesse.
Ze vragen, of je voor een acte werkt, ze controleeren ijver, hoeveel acten je hebt, ze controleeren wat je de gemeente kost. Bovendien praten ze over methode. In Amsterdam praat iedereen over methode. Ben je geen lid-der-school-commissie, geen schoolopziener of wat anders, dan ben je toch vader of moeder van 'n schoolgaand kind en hebt als zoodanig een woordje mee te spreken over de kwestie volgens welke methode je spruit zal worden opgevoed.
Half elf, de arrondissementsschoolopziener is weg. Rust, o, wondervreemd genucht... Mis poes. Twee jonge onderwijzers - ja, piepjong, want ik kende ze reeds in hun kweekelingentijd - hebben een tijdschrift opgericht, waarin ze die vaderlijke leiding, zevenvoudig methodisch, smadelijk miskennen.
‘Deze onderwijzers schijnen zich voor te stellen dat kind en onderwijzer levende individuen zijn, die elk hun eigen aard hebben, en dat die geaardheid met al haar variaties de toepassing van een voorgeschreven mekaniek, door den onderwijzer gedraaid en door het kind ondergaan, niet duldt zonder schade voor beiden. Ze meenen dat de praktijk een andere paedagogiek onderwijst dan kweekschool en hoofdakte-studie en vakbladen.
‘Papieren paedagogiek’, ‘dwarskijkers’, foei, heeft men het ooit zoo gehoord? Bij Wijnbergen kwamen ze dien avond allemaal tezamen om den uitslag te vernemen van zijn sollicitatie. Ook Krijnen zou daar zijn, die er denzelfden dag op uit getrokken was, naar een andere streek, voor hetzelfde doel. Wijnbergen was geslaagd, voelde zich tenminste zeker van zijn zaak en sterk gestegen in zijn eigen achting.
Zwijgend en oplettend luisterde Berthold met de anderen naar zijn zwetsende verhalen van hoe hij met het schoolhoofd en met den boe...
Carry van Bruggen en Zaandam
Op de plek waar ooit het belangrijkste literaire erfgoed van Zaandam stond, is nu een troosteloos, grotendeels leegstaand winkelcentrum gevestigd. In dit weggevaagde huisje groeiden zus en broer Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan aan het einde van de negentiende eeuw op.
Meerdere malen per week loop ik langs de lege puien van dit winkelcentrum, op mijn route tussen treinstation en thuis. Aan de sloophamer van de jaren zestig valt niets meer te doen, maar iets van gerechtigheid is er wel, want sinds de jaren negentig is er een monument voor Carry van Bruggen in Zaandam. Het beeld staat wat verloren op een stukje groen in een woonwijk, langs een sloot, dat wel. Het oogt in eerste instantie lief en uitnodigend: een boekenkast, wat voorwerpen.
Toen ik het voor de eerste keer bekeek, zag ik dat het stoffig was van spinrag. * Een periode was ik door Carry van Bruggen gefascineerd geweest, maar haar boeken had ik al jaren niet meer ingekeken.
Literaire Herwaardering
Ik vroeg me af of ik ze nog de moeite waard zou vinden - herlezen is soms een confronterende bezigheid. Is het werk van Carry van Bruggen tijdsbestendig? Ik ben niet de enige die zich dat afvraagt: elke paar jaar staat er iemand op die zich over deze vraag buigt. Maar een grote herwaardering komt niet van de grond. Laat ik eens stellig zijn: nee. Het is niet te moeilijk en niet te gedateerd.
Ik herlas haar korte verhalen in ‘Avontuurtjes’ en ‘Het huisje aan de sloot’ en vond sommige stukken nog steeds verbluffend mooi, mooier misschien nog dan ik ze eerder vond. Het werk van Carry van Bruggen heeft ook vandaag de dag nog bestaansrecht.
Maar - ja, er komt toch een maar - het is geen werk waar je makkelijk voor valt. ‘Dan weet je vader er niets van of jij hebt je vader verkeerd begrepen. Een meisje in de klas, dat wordt terechtgewezen door haar meester en uitgelachen door haar klasgenootjes - wie leeft er niet met haar mee?
Alleen een wat ouderwetse constructie als ‘ze durft niet opzien’ is misschien een klein hobbeltje, maar ik denk dat de meeste lezers wel zullen vervolgen. Woensdag hebben ze zinnetjes gemaakt met ‘om’ en ‘over’ en ‘in’ en ‘voor’ en meer van die kleine woordjes, die heel veel betekenen, omdat ze de dingen aan elkaar verbinden… ‘aan’ was er ook bij.
En zij schreef: ‘Moeder doet zout aan het eten.’ Ze heeft dat thuis zó vaak gehoord -, soms vraagt moeder plotseling aan zichzelf: ‘Heb ik wel zout aan de aardappels gedaan?’ en soms aan Vader: ‘Is er aan de peertjes wel suiker genoeg?’ ‘In’ zegt moeder als het koffie is, maar ‘aan’ als het eten is - en dat is fout, het moet altijd ‘in’ zijn, en alleen de Joden, zegt de meester, zeggen ‘aan’ als het ‘in’ moet wezen.
Opnieuw bespeelt Carry van Bruggen het medeleven van de lezer - bij mij werkt het in ieder geval, ik heb erg met het meisje te doen. Heel terloops laat ze ook het antisemitisme van de meester doorschemeren, een terugkerend thema in haar werk. Vervolgens denkt het meisje terug aan het moment, waarop haar vader zei dat hooi goed is voor warme voeten. Het was de dag waarop de keizer een boottochtje maakte over de Zaan, en het volk uitliep om te kijken.
Dit moet de Duitse keizer Wilhelm II zijn geweest, maar in het verhaal wordt dit niet verder toegelicht en het doet er ook niet toe. De verhalen van Carry van Bruggen gaan niet over de grote namen uit de geschiedenis, ze legt juist de kleine levens vast. ‘s Morgens was het al zo melkachtig aan de horizon en dan wist je het wel, dan werd het weer zo’n kleverige dag.
Op zulke dagen zie je boven de polder de lucht van de hitte trillen, alles hangt slap en loom.. Voor geduldige lezers is er veel te genieten - dat het ‘melkachtig’ is aan de horizon past bijvoorbeeld prachtig bij die ‘kleverige’ dag. En die lange zin waarin ze met steeds verhevener woorden de graslucht beschrijft, om vervolgens heel praktisch en nuchter te constateren dat ‘je voeten worden geroosterd’ maakt een glimlach los.
Een mooi spel met contrast. Carry van Bruggen neemt de tijd om de dag verder te beschrijven; als je er even voor gaat zitten, kom je helemaal in de leefwereld van het meisje - of je gooit het boek in een hoek. Vader dekt de voeten van het meisje en haar tweelingbroertje toe met hooi. Hij zegt dat dit is om ze te verkoelen - en dat is nu juist wat de meester tegenspreekt.
‘Ja, met twee dikke dochters. ‘Ja, want ze keken telkens zo.. naar jullie schoenen.. Juist omdat we het kleine avontuur van het meisje een tijdje met haar hebben meebeleefd, inclusief allerlei details en gedachten, komt deze clou hard aan. Het meisje was opgegaan in een bijzondere dag, en ondertussen voelde haar vader zich steeds opgelaten, omdat andere toeschouwers een oordeel velden over hun armoede.
Het is een subtiel verhaal, de moraal wordt er niet ingeramd, maar de pijn zit er wel. In het monument voor Carry van Bruggen in Zaandam zit ook een subtiel venijn. Als je meer dan vluchtig kijkt, zie je dat uit een van de voorwerpen op de boekenkast een vrouwenfiguur tevoorschijn komt. Ze lijkt zich te verheffen uit haar omgeving, met een vastberaden, misschien zelfs gepijnigde blik.
Nieuwsgierig naar het hele verhaal ‘Hooi voor warme voeten’? Het is gratis beschikbaar in de digitale bibliotheek van de Nederlandse letteren (DBNL).
Espressofabriek en Keen Coffee
Sinds juni 2020 biedt Espressofabriek een unieke koffie-ervaring op Zeeburgereiland. Het is gevestigd in een voormalig slipvijzelgemaal. Deze industriële hotspot maakt indruk met zijn strakke inrichting, smaakvolle koffie en getalenteerde barista. Met duizenden nieuwe woningen in opkomst combineert het eiland nu moderne stadsontwikkeling met historische charme.
Espressofabriek speelt daar perfect op in door een oude waterzuiveringsinstallatie uit de jaren tachtig om te toveren tot een opvallende betonnen koffiebar. De koffiebonen bij Espressofabriek komen rechtstreeks uit hun eigen branderij. Met drie vestigingen in Amsterdam biedt de keten exclusieve blends die je nergens anders proeft. De keuze bestaat uit bonen voor espresso of filter, maar er is geen standaard filterkoffie op het menu. De kaart is klein maar fijn.’
De Utrechtse koffiebranderij Keen Coffee opent in de binnenstad van Utrecht binnenkort een proeflokaal voor koffie. In de Keen Coffee Bar, die aan de Ganzenmarkt komt, hebben gasten voor hun koffie straks keus uit vijftien verschillende koffiebonen.
In 2016 begonnen drie Utrechtse ondernemers, Bonne Postma, Joris Goossens en Roderick Schouten, koffiebranderij Keen Coffee. De drie ondernemers werken met verschillende koffieboeren samen, met als doel het verbeteren van de koffieketen. Keen Coffee is sinds 2016 flink gegroeid en de ondernemers vinden het tijd om een ‘langgekoesterde droom te verwezenlijken’.
Tabel: Overzicht Koffiezaken
| Naam | Locatie | Kenmerken |
|---|---|---|
| Espressofabriek | Zeeburgereiland, Amsterdam | Gelegen in voormalig gemaal, eigen branderij |
| Keen Coffee Bar | Ganzenmarkt, Utrecht | Proeflokaal met 15 verschillende koffiebonen |
| Grand café De Haven | Zwammerdam | Gerund door cliënten van Ipse de Bruggen, Romeinse sferen |
labels:




