Breda, een Nederlandse stad in het westen van de provincie Noord-Brabant, is van oudsher de voornaamste stad van West-Brabant. Het was de hoofdstad van de Baronie van Breda, waaronder onder meer ook Roosendaal, Etten-Leur en Oosterhout ressorteerden. De stad was een belangrijke garnizoens- en vestingstad, en speelt nog steeds een zichtbare rol binnen de Nederlandse krijgsmacht door de aanwezigheid van de Koninklijke Militaire Academie en het hoofdkwartier van de Koninklijke Luchtmacht. Zij is sedert 1853 de zetel van het gelijknamige bisdom. De aanwezigheid eerst van de Heren van Breda, maar later ook van de Kamer van koophandel, de Rechtbank en het Bisdom hebben ervoor gezorgd dat Breda zowel traditioneel als heden ten dage het politieke, administratieve en religieus-bestuurlijke hart van West-Brabant vormt. De stad bezit vanouds ook veel handel en industrie.

De Herkomst van de Naam Breda

Over de herkomst van de naam Breda bestaan verschillende verklaringen. Een mogelijke verklaring is < Germ. *braida- ‘breed’ en *aχwō- ‘natuurlijke waterloop inz. De vroegste vermelding van Breda als onderdeel van een persoons- of familienaam komt misschien al voor in 1116. Het betreft een Gerardus van Breda die genoemd wordt in een stuk over de wijding van de kerk van Zundert. Het stuk zelf is uitsluitend bekend uit een veel later geschreven afschrift en daarmee niet als echt te bewijzen. In 1252 koopt Breda van de heer Hendrik IV van Breda privileges. Deze handeling wordt door Breda beschouwd als het verkrijgen van stadsrechten. Anderen zijn de mening toegedaan dat Breda reeds eerder stadsrechten had. De naam Breda wordt in de vroegste vermeldingen op diverse manieren geschreven: Breda, Brida en Brede.

De Heren van Breda en het Huis Nassau

Aangezien Arnoud en Isabella zelf ook geen kinderen hadden, splitsten zij de heerlijkheid in tweeën. Het oostelijke deel (Breda) ging naar de nakomelingen van Isabella’s oudtante Sophie, die getrouwd was met Raso VI van Gavere, heer van Liedekerke. Hun zoon Raso VII van Liedekerke werd als Raso I de eerste heer van Breda uit het geslacht van Gavere. Dit echtpaar verkocht de heerlijkheid Breda in 1326 aan hertog Jan III van Brabant. Samen met zijn zoon Jan II van Polanen (1324-1378) pandde Jan I vanaf 9 december 1339 van hertog Jan III van Brabant de heerlijkheid Breda, waarvan zijn halfbroer Willem het vruchtgebruik kreeg. Samen met zijn vader bouwde Jan II er een kasteel. Erfdochter Johanna van Polanen (1392-1445), vrouwe van Breda en de Lek, trouwde op 1 augustus 1403 in Breda met Engelbrecht I van Nassau. Tot Johanna ’s erfenis behoorden vele heerlijkheden en ridderhofsteden in Holland en Brabant, Henegouwen, Utrecht en Zeeland. Door dit huwelijk begon de opkomst van het Huis Nassau in de Nederlanden. Aangezien Johanna het enige kind was van Jan III van Polanen, kwamen diens titels, via Johanna, terecht bij Johan IV van Nassau, de zoon van Engelbrecht en Johanna.

Door de historische band met het huis Nassau (tot 1795 waren de burgers van Breda onderdanen van de heer van Breda, die vanaf 1403 tevens graaf van Nassau en, vanaf 1538, de prins van Oranje-Nassau was) is Breda een Oranjestad, waaraan het mogelijk mede een van haar bijnamen, Haagje van het Zuiden, dankt. In de Bredase binnenstad bevinden zich onder meer de gotische Grote Kerk of Onze-Lieve-Vrouwekerk, het Begijnhof, het Spanjaardsgat, het Oude Stadhuis en de Prinsenkade. Tussen 1450 en 1550 ontwikkelde de stad Breda zich tot een van de opmerkelijkste culturele en politieke centra van de Nederlanden. Als residentiestad van de Brabantse tak van de Nassaudynastie die sinds 1403 heren van Breda waren, kreeg de stad een bijzondere allure. De Brabantse Nassaus behoorden tot de allerhoogste adel in de Bourgondisch-Habsburgse Nederlanden en voerden in hun heerlijkheden een bijbehorende cultuurpolitiek. Dat gebeurde in Breda in elk geval (ook) in nauwe samenwerking met de stedelijke gemeenschap.

Breda tijdens de Tweede Wereldoorlog

Kort na de Duitse inval - op de vroege ochtend van 10 mei 1940 - vond een massale evacuatie uit Breda plaats. Breda dreigde tussen de fronten van de oprukkende nazi-Duitsers en Fransen terecht te komen. De omstreeks 50.000 inwoners kregen op deze Eerste Pinksterdag van 12 mei 1940 het bevel de stad te evacueren. In het begin van de oorlog kwam er nog een Franse troepenmacht uit België naar Breda, maar bereikte de stad niet. De nazi-Duitse bezetters maakten gebruik van het grote aantal militaire bouwwerken in de stad om onder meer militairen van de snel uitbreidende Fliegerhorst Gilze-Rijen te huisvesten, onder hen enkele tientallen ‘Luftwaffehelferinnen’, ook wel bekend als ‘Blitzmädel’, die werkten bij de verbindingsdiensten. Pas in 1942 verscherpte de bezetting zich, toen de bezetter begon met het registreren van Joden vanwege de geplande deportatie. Deze was in december voltooid en de ongeveer 225 Bredase Joden verdwenen naar concentratiekampen of doken onder. Op 4 september 1944 kondigde Radio Oranje aan, dat Breda bevrijd was, nadat op die datum ook Antwerpen bevrijd werd. Dat bericht bleek vals en werd later die dag ingetrokken. Veel bezetters en collaborateurs ontvluchtten toen de stad.

Geografie en Uitbreiding van Breda

De stad Breda is omgeven door woonwijken en bedrijventerreinen. Kenmerkend voor de stad is de samenvloeiing van de Aa of Weerijs en de Mark. De rivier gaat als Mark verder. Hier liggen enkele havens aan en daar voorbij mondt ook het Markkanaal in de Mark uit. In of dicht bij de gemeente Breda liggen de volgende dorpskernen: Bavel, Effen, Prinsenbeek, Teteringen, en Ulvenhout, daarnaast Galder (in de gemeente Alphen-Chaam), Terheijden (in de gemeente Drimmelen) en Dorst (in de gemeente Oosterhout). De vroegere dorpen Ginneken en Princenhage zijn al langer (sinds 1942) opgenomen en geheel geïntegreerd in de stad Breda. De buurgemeenten van Breda zijn: Alphen-Chaam, Drimmelen, Etten-Leur, Gilze en Rijen, Moerdijk, Oosterhout en Zundert in Nederland en Hoogstraten in België.

Tot 1535 was Breda een ommuurde stad. Buiten de muren ontstonden een aantal nederzettingen aan de uitvalswegen, namelijk Boscheind, Ginnekeneind en Haagdijk. Toen de stadsmuren werden vervangen door een omwalling, hetgeen tussen 1531 en 1543 geschiedde, werden genoemde nederzettingen aan de binnenstad toegevoegd. De tussenliggende ruimten werden in de loop van de 18e eeuw door militaire activiteiten ingenomen. Stadsbranden in 1490 en 1534 noopten tot de bouw van stenen in plaats van houten huizen. De welvaart in de stad nam ondertussen toe door de lakenhandel, de overslagfunctie van de stad, en de aanwezigheid van het hof van de Nassaus. Na de Tachtigjarige Oorlog bleef slechts de functie van vestings- en garnizoensstad over. De functie van vestingstad maakte dat de oppervlakte van Breda beperkt bleef, daar de stad door de vestingwallen was ingesloten.

De Moderne Tijd

Een nieuwe bloeiperiode begon in de tweede helft van de 19e eeuw. Breda kreeg, buiten de omwalling, een station in 1864, waarna het uiteindelijk tot een spoorwegknooppunt werd. Vanaf 1869 werden de vestingwerken ontmanteld naar plannen van F.W. van Gendt, zodat ruimte vrijkwam voor de bouw van woningen, industrie, kazerne- en kloostercomplexen. Tussen de binnenstad en het station, en aan de zuidzijde, werden monumentale woningen gebouwd. Pas in 1927 was het mogelijk om grote delen van de omliggende gemeenten te annexeren, waarop tal van uitbreidingsplannen tot stand konden komen. Zo ontstond de wijk Zandberg, met typische jaren 30 stijl gebouwde huizen, op geannexeerd gebied van Teteringen en werd de toenmalige Burgemeester Verdaasdonkstraat omgedoopt tot de Wethouder Romboutsstraat naar degene die de annexatie had geïnitieerd. Nadat in 1942 ook de gemeenten Ginneken en Princenhage bij Breda waren gevoegd, konden deze kernen eveneens met nieuwbouwwijken omsloten worden.

In de jaren 60 van de 20e eeuw vonden er grootschalige ingrepen plaats, zoals de aanleg van een cityring om de binnenstad, en het dempen van de Oude Haven in 1966. In 2008 werd deze echter weer in gebruik genomen, na opnieuw te zijn uitgegraven. Ook de sloop van de neogotische kerken in de binnenstad vond plaats in de jaren 70 van de 20e eeuw. Ondertussen werden vele van de traditionele fabrieken, die langs het spoor waren verschenen, gesloten en gesloopt: de Kwatta, de Etna, CSM suikerfabriek, ENKA, Bierbrouwerij De Drie Hoefijzers, De Faam suikerwerken, Machinefabriek Breda, Loda, Molenschot weegwerktuigen, Hero frisdranken en conserven. Dit proces vond tot in het eerste decennium van de 21e eeuw plaats. Daarnaast werden in 1993 een aantal grote historische kazernecomplexen door de militairen verlaten. Eind 20e eeuw was Breda opnieuw uitgegroeid tot een belangrijk knooppunt halverwege de havensteden Rotterdam en Antwerpen. Vanaf de jaren 80 van de 20e eeuw werden ook omvangrijke uitbreidingsplannen ten noorden van de stad uitgevoerd, met name Haagse Beemden, waar woningen en kantoren verrezen. In 1988 werd daar ook station Breda-Prinsenbeek geopend. De bouw van het nieuwe station Breda duurt tot medio 2016. Gebruikten medio 2012 nog elke dag circa 27.000 mensen het station, in 2020 zal dit ongeveer 57.000 zijn. Het nieuwe station telt daarom zes sporen en drie perrons, waar per uur zestien treinen aankomen en vertrekken.

Parken en Monumenten

In Breda is het Valkenberg bij het kasteel van Breda het bekendste park. Het is een stadspark, maar het was vroeger de tuin van het kasteel. Aan de ingang van dit park bevindt zich het Baroniemonument uit 1905, dat werd ontworpen door architect Pierre Cuypers en werd onthuld door Koningin Wilhelmina, mede om de bijzondere band tussen het Oranjehuis en Breda te benadrukken. Een ander groot park bij het centrum is het Wilhelminapark. In dit park staat, ter herinnering aan de Poolse bevrijders, een Duitse Panthertank die door de Polen in 1945 aan de stad werd geschonken. Voorts zijn er nog het Burgemeester van Sonsbeeckpark in de wijk Boeimeer, het Zaartpark en het Park Hoge Vucht in Breda Noord.

Het Wapen van Breda

Het wapen van Breda is op 16 juli 1817 bij Koninklijk Besluit aan de stad Breda toegekend. Het daadwerkelijke wapen (het wapenschild) toont drie Sint Andrieskruizen. Het wapen van de stad is afkomstig van het adellijke geslacht van de heren van Breda en Schoten (niet de latere Nassau’s). Op zegels uit het begin, Breda verkreeg in 1252 stadsrechten, verschijnt het schild nog wel op verschillende manieren. De kleuren zijn vanaf het eerste bekende wapen uit 1254 altijd een rood schild met zilveren kruisen, staande 2 en 1. Op het oudste bekende stadszegel staat het schild nog voor een burcht, daar waar deze nu juist boven de burcht staat. Op een tegenzegel uit dezelfde periode staat een leeuw tussen de kruizen in, dit is vrijwel zeker de leeuw van Brabant. Ook de schildhouders zijn in de loop van de tijd verschillend geweest. Zo is het verschenen tussen een wildeman en -vrouw in, met en zonder engel, soms alleen met een engel, met twee leeuwen en de engel is ook wel vervangen door een vijfbladige kroon. Op de officiële bodebus uit 1699 staat het wapen gedekt door een vijfbladige kroon en gehouden door een wilde man en -vrouw. De vorm van de engel wil ook nog weleens wisselen. Over het algemeen wordt deze afgebeeld met de vleugels horizontaal gespreid. Er zijn afbeeldingen van het wapen met een engel met gebogen vleugels beide naar heraldisch links (voor de kijker naar rechts) gewend. Het wapen is in 1990 door de gemeente licht aangepast, op basis van de tekening uit 1817, zodat de tekening en de beschrijving meer met elkaar overeen zouden komen. De tekening bleef vrijwel gelijk zodat paspoorten en dergelijke niet aangepast hoefden te worden. Dit heeft voor allerlei juridische problemen gezorgd.

“Van keel beladen met 3 St.Andrieskruizen van zilver, staande 2 en 1. Omdat de gemeente deze beschrijving in 1990 te summier vond werd besloten om de tekening uit 1817 te gebruiken als basis voor een nieuwe beschrijving. Deze nieuwe beschrijving en aangepast wapen werden op 25 november 1991 bij Koninklijk Besluit toegekend aan de gemeente Breda. “In keel drie schuinkruisjes van zilver. Keel is in de heraldiek rood en azuur is blauw. Waar de engel vandaan komt is niet bekend, mogelijk dat deze symbool staat voor hemelse bescherming van de stad. De leeuwen kunnen afgeleid zijn van de leeuw van Brabant, maar ook van de leeuwen van Nassau. verschenen. en… nog worden bijgeplaatst. is op de site ingekort tot 98 stuks. weggelaten en deze specifiek voor het boek laten gelden. weet dat hier nooit zo erg veel over is geschreven. die over Breda gaan in een wat latere periode. publiceren. Breda Deel 2. Breda en in het bijzonder: de Oranjeboomstraatbuurt.

De Zoete Inval: Suikerindustrie in West-Brabant

In de 10-delige serie Suikerhoek vertelt filmmaker Raoul de Zwart het verhaal van het zoete verleden van Westbrabant, waar ooit meer dan 30 suikerfabrieken tijdens de bietencampagne volop in bedrijf waren. SUIKERHOEK, een tiendelige documentaireserie van Raoul de Zwart, geproduceerd door ENTROP&DEZWARTFILMS. In deze serie duikt filmmaker Raoul de Zwart in het kleurrijke zoete verleden van de Zuidwesthoek van Brabant. Plotseling verrezen daar immers zo’n 150 jaar geleden fabrieken zo groot als kathedralen. Aangedreven door meer dan manshoge stoommachines produceerden ze van september tot januari suiker uit bieten. Deze kleine industriële revolutie kende nergens zijn weerga in Nederland. SUIKERHOEK vertelt aan de hand van interviews en talrijk nooit eerder gepubliceerd foto- en filmmateriaal het verhaal van de suikerboeren en -baronnen, de arbeiders en de innovaties en deze industrie.

Ooit stonden er meer dan 30 suikerfabrieken in het westen van Brabant en werkten er duizenden boeren en arbeiders in deze bedrijfstak. Wat is er met ze gebeurd en welke verhalen worden er nog over verteld?

Afleveringen van Suikerhoek

  • Aflevering 1, Een Zoete Inval: Wat is er met de suikerfabrieken en de mensen die er werkten gebeurd en welke verhalen worden er nog over verteld?
  • Aflevering 2, Suiker Plakt: Jan van Meer verzamelt in zijn Gastelse ‘Suikerkot’ meer den 280.000 foto’s en 180 uur filmmateriaal over het zoete der aarde. Arie Remus en Bart Gijzen bouwen in het Suikermuseum in Klundert hun eigen verleden in miniatuur.
  • Aflevering 3, De Boer Ploegt Voor: Rond 1875 drukt de suikerindustrie steeds meer zijn stempel op het leven in Westbrabant. Fabrikanten en boeren komen tegenover elkaar te staan. De fabrieken maken een innovatieslag en hebben steeds meer invloed op het boerenleven.
  • Aflevering 9, Zonderling & Uitzonderlijk: In Oud-Gastel wordt tot 2099 elke zondag gebeden voor Henri Mastboom, de laatste telg uit een geslacht dat bijna een eeuw de bestuurlijke macht in dit dorp had. In het zelfde dorp treedt Jan Frederik Vlekke op zijn 18de in dienst als onderwijzer. Vlekke, van lage komaf, groeit uit tot één van de markantste suikerfabrikanten uit de Suikerhoek en legt de basis voor echt sociaal ondernemerschap.
  • Aflevering 10, Van Stomend Naar Bruisend: Waar in fabriekshallen stoommachines dreunden en bonkten, heerst nu de natuur. Of een recyclingbedrijf, of een supermarkt. Wat is er nog over van de suikerfabrieken van toen? En wat heeft die industrie boeren en arbeiders gebracht?

Fabrikanten in de suikerhoek stelden die vraag regelmatig. Want de suikerindustrie staat bol van innovaties. om nog efficiënter te produceren. Het kan immers altijd béter, en ánders. Hoe kom je als biet van de akker naar de fabriek? In een tijd zonder auto’s was dat een uitdaging. De tocht moest zo snel mogelijk verlopen. De Zeeuwse bieten werden in de Brabantse suikerhoek verwerkt. Smalspoor en beurtschip brachten uitkomst. De zeeklei in de Brabantse Suikerhoek is de ideale voedingsbodem voor suikerbieten. Maar gronds alleen is niet genoeg. Het klimaat schuift op. Het is te droog of te nat. Ziektes en schimmels belagen de biet. Over de strijd tussen boer en natuur, vroeger en nu. Hoe word je van een biet een suikerklontje? Daar is een heel proces voor nodig. Wat gebeurde er tijdens de campagne in die door stoom aangedreven fabrieken? Samen met de biet reizen we door de tijd en de fabriek.

Het Wapen van Breda: Een Detailanalyse

Het wapen van Breda, officieel toegekend op 16 juli 1817, is rijk aan symboliek en geschiedenis. De basis van het wapen wordt gevormd door het schild, waarop drie Sint Andrieskruizen prijken. Deze kruizen zijn niet zomaar gekozen; ze zijn afkomstig van het adellijke geslacht dat heerste over Breda en Schoten, nog voordat de Nassaus hun intrede deden. De kleuren van het wapen - een rood schild met zilveren kruizen - zijn al sinds het eerste bekende wapen uit 1254 consistent gebleven.

Door de eeuwen heen heeft het wapen diverse transformaties ondergaan. Op de oudste stadszegels zien we het schild geplaatst vóór een burcht, terwijl latere versies de burcht boven het schild tonen. Een tegenzegel uit dezelfde periode toont een leeuw tussen de kruizen, vermoedelijk de leeuw van Brabant, wat wijst op de regionale verbondenheid van Breda. De schildhouders, de figuren die het wapen flankeren, zijn eveneens gevarieerd. We zien wilde mannen en vrouwen, engelen (soms met, soms zonder engel), en zelfs leeuwen. De officiële bodebus uit 1699 toont het wapen met een vijfbladige kroon, geflankeerd door een wilde man en vrouw.

In 1990 besloot de gemeente Breda tot een subtiele aanpassing van het wapen, om de tekening beter in overeenstemming te brengen met de officiële beschrijving uit 1817. Deze wijziging, die op 25 november 1991 bij Koninklijk Besluit werd bekrachtigd, leidde tot juridische complicaties. De nieuwe beschrijving luidde: "In keel drie schuinkruisjes van zilver." De term "keel" verwijst in de heraldiek naar de kleur rood, terwijl "azuur" staat voor blauw. De herkomst van de engel blijft onduidelijk, maar mogelijk symboliseert deze hemelse bescherming over de stad. De leeuwen daarentegen kunnen afgeleid zijn van de leeuw van Brabant, of van de leeuwen van Nassau, wat de complexe historische banden van Breda weerspiegelt.

labels:

Zie ook: