Is het niet ongerijmd, dat iemand in mijn omstandigheden begint aan een geschrift, dat hij hoogstwaarschijnlijk niet zal kunnen voltooien? Ik weet niet hoeveel tijd mij nog rest en of ik niet over een week, of misschien nog eerder, uit deze cel zal worden gehaald, om naar die kelder te worden gebracht, waaruit geen veroordeelde levend terugkeert.

Maar niet alleen en zelfs niet in hoofdzaak om deze reden, zou dit juist begonnen werk zinloos kunnen worden genoemd. Niemand immers is zeker van zijn tijd en ook de niet bedreigde en in veiligheid levende mens, weet als hij een taak aanvangt niet of hij deze zal kunnen volbrengen. Veel werk zou onbegonnen blijven, als wij onze toekomst kenden.

Ernstiger dan dit bezwaar was voor mij aanvankelijk dan ook de aan zekerheid grenzende kans, dat mijn moeite nutteloos zou zijn, omdat mijn mededelingen nimmer gelezen zouden worden. Een mogelijkheid om met de buitenwereld in verbinding te komen, bestaat voor mij niet en zelfs als er een was, zou ik daarvan geen gebruik maken, om anderen niet in gevaar te brengen.

Men heeft mij toegestaan mijn memoires te boek te stellen, niet om mij terwille te zijn, maar in de verwachting dat ik nog wel iets zal loslaten, dat de geheime politie van nut kan zijn. Het zal op een teleurstelling voor commissaris Prekopin uitlopen, maar dit vermoedt hij op het ogenblik nog niet en zolang hij van tijd tot tijd maar een paar beschreven blaadjes papier van mij krijgt, kan ik mijn eigen notities blijven maken.

Mijn aarzeling om aan een geschrift te beginnen, dat waarschijnlijk door niemand gelezen zal worden, heeft overigens niet lang geduurd. Nadat ik ontdekt had, dat een met een rooster afgesloten en buiten gebruik gestelde luchtkoker een goede bergplaats voor mijn brieven zou zijn, was mijn besluit eigenlijk al genomen. Het bestaan van deze ruimte was voor mij beslissend.

Mochten de papieren ooit op deze plaats worden ontdekt, wat zeker nog jaren en jaren kan duren, dan zullen mijn woorden misschien alleen nog maar van enige historische betekenis zijn en geen actuele waarde meer hebben. Ik hoop het, ofschoon ik het niet geloof.

De door machtswaan bezeten mens, die ieder middel aangrijpt om zich te handhaven, is een eeuwige verschijning, wiens geschiedenis, ook in de toekomst, met het bloed van zijn slachtoffers zal worden geschreven. Daarom vrees ik, dat mijn verhaal niet verouderen zal.

Toch is het niet mijn bedoeling, om aan de uitgebreide literatuur die over tyrannie en verdrukking bestaat, nog iets toe te voegen. Ik moet schrijven, omdat ik mij uiten moet en niet meer spreken kan, om de sfeer van verstikkende eenzaamheid en verlatenheid die mij omgeeft, te doorbreken.

Ik wil trachten uit deze ijskelders van hardheid en kille berekening te ontkomen en de koestering zoeken van een warmer verleden om, bevrijd van de druk waaronder ik maanden lang heb verkeerd, mezelf terug te vinden. Ik wil proberen na te gaan, hoe men mij kon brengen tot deze ontrouw, dit verraad aan mezelf, hoe het mogelijk was mij bekentenissen af te persen en mij in een vijand van mezelf te veranderen, door mij de rol te laten spelen van de berouwvolle zondaar, die zichzelf aanklaagt.

Ik weet dat de mens een vat vol tegenstrijdigheden is, maar ik vraag mij af of het mij ooit mogelijk zijn zal te erkennen, dat deze uitersten van goed en kwaad, van mildheid en wreedheid en van meegevoel en botheid, in potentie ons aller deel zouden zijn. Wellicht is het stellen van deze vraag te zien als een gevolg van een tekort aan critiek en een te grote toegeeflijkheid tegenover mezelf.

Een enkel, schijnbaar onbetekenend voorval uit mijn jeugd kan dit verduidelijken. Als jongen van een jaar of tien, woonde ik een bruiloft van een familielid in een provincieplaatsje bij. 's Middags ging ik het stadje in met een oudere neef en op deze wandeling kwamen wij voorbij een aan een nauw straatje gelegen slachtplaats, waarvan de deuren open stonden.

In een V-vormige op een schraag geplaatste trog, lag een kalf met opengesneden strot en vastgebonden poten. Het dier was nog niet dood en zijn schuimend bloed gulpte in een voor de trog geplaatste zinken bak. Dikke slijmdraden dropen uit de bek en langs de rood bevlekte witte tong.

De slager, die naast de trog zat, hield het kalf met één hand in de gapende wond vast, terwijl zijn andere hand speelde met een hondje, dat tegen zijn been op stond. Ik had nog nooit een dier zien slachten en werd misselijk bij dit schouwspel, maar tegelijk voelde ik mij verdrietig en aangegrepen door een onbestemd gevoel van angst.

Ik was bang voor iets dat ik niet begrijpen kon, zoals ik later van vrees huiverde, toen ik mij voor de eerste keer een voorstelling van de oneindigheid trachtte te maken. Hoe was het mogelijk, dat een man het ene dier liefkozen en onderwijl een ander dier doden kon? Toen zomin als later heb ik dit begrepen.

Nooit heb ik dit voorval vergeten en ook toen ik volwassen was, heb ik nog menigmaal aan die slager en zijn afschuwelijk spelletje moeten denken. Niet één keer in mijn leven heb ik kalfsvlees kunnen eten, zonder mijn tegenzin te moeten overwinnen en zonder mij dit voorval te herinneren.

En toch zal ik met mezelf en met de slagers en de inquisiteurs in het reine moeten trachten te komen, als ik begrijpen wil, wat er met mij is gebeurd. Ik weet niet of ik de mens mijn leven lang verkeerd heb beoordeeld, omdat ik niet in staat geweest zou zijn mezelf te zien en hem, met het verwrongen beeld van mezelf voor ogen, beter heb geacht dan hij is. Ik ben een verloren man, maar in spijt van alles wat ik heb moeten doorstaan, weet ik mij niet geheel verbitterd.

Maar ik zou het gemakkelijk kunnen worden, als ik de schuld van het ongeluk dat mij trof, geheel op anderen laadde. De slachters beschuldigend, zal ik er rekening mee dienen te houden, dat ik hun kalfsvlees herhaaldelijk gegeten heb en bovendien dat ik, beter dan die anderen, wist, daarmee iets te doen, dat ik had moeten nalaten.

Het kan niet anders of, in weerwil van mijn onschuld, zal mijn aanwezigheid in deze cel en mijn aanstaande dood in de executiekelder voor een deel ook verklaard moeten worden uit dwalingen, welke ik zelf beging. Bij welke gelegenheid het was, weet ik niet meer, maar toen men mij voor de eerste keer met ‘kameraad’ aansprak, voelde ik mij verlegen worden.

Het was een woord dat ik kende uit de boeken, maar dat ik in de omgangstaal nooit had gebruikt. Romanticus die ik was, had ik het een waarde toegekend, die ver boven het alledaagse uitging; bij kameraad dacht ik aan een veredelde, maar vooral aan een meer omvattende en in gemeenschappelijke strijd beproefde vriendschap, een bondgenootschap van helden.

Behalve dat ik mezelf onwaardig achtte en mij schaamde, verbaasde het mij op deze manier te worden aangesproken, door mensen die ik voor de eerste keer ontmoette. altijd een beetje pijnlijk gevonden, alsof ik tegen mijn wil iets onbescheidens deed, wanneer mensen, die ik ternauwernood kende, mij in vertrouwen namen en hun geheimen vertelden.

Mijn gewaarwording van onlust bij deze eerste ontmoeting, was een waarschuwing, dat ik iets doen moest, dat tegen mijn natuur indruiste en die mij ervan had moeten weerhouden op de pas ingeslagen weg verder te gaan. Maar ik dacht niet aan omkeren, onderdrukte mijn tegenzin en legde mijn critiek het zwijgen op.

Als ik vrij wilde komen van de kleine burger in mezelf en ernstig voor een betere wereld wilde vechten, dan moest ik er mee beginnen mijn hooghartigheid af te leggen, niet zo kleingeestig zijn om op onbelangrijke uiterlijkheden te letten, maar het op prijs stellen dat revolutionnairen mij kameraad noemden en als een der hunnen wilden beschouwen.

Vormden deze mannen en vrouwen, die zich durfden verzetten tegen een oppermachtige kapitalistische wereld, niet een bondgenootschap van helden en hadden zij daarom het recht niet elkander kameraad te noemen? Met deze en soortgelijke argumenten trachtte ik mezelf van mijn ongelijk te overtuigen, een poging waarin ik echter nooit geheel ben geslaagd.

Wel verloor het woord voor mij langzamerhand de betekenis, die ik er aanvankelijk aan had gehecht, zoals de beeldenaar op een munt in het gebruik afslijt, maar volkomen vertrouwd ben ik er nooit mee geraakt. Later, te laat, heb ik begrepen, dat kameraad in de mond van een bolsjewist, niets met vriendschap te maken heeft, dat het alleen maar een titel is voor de leden van de clan, een woord zonder gevoelsinhoud en slechts van toepassing op hen, die zich onderwerpen aan de partijdiscipline en blindelings gehoorzamen.

Zijn volstrekte onderworpenheid aan de partij, maakt de bolsjewist onbetrouwbaar voor iedereen die niet tot zijn gemeenschap behoort; liefde en oprechtheid, meegevoel en barmhartigheid noemt hij burgerlijke gevoelens, waarvoor bij hem slechts plaats is voor zover zijn politieke richtlijnen het toelaten.

De kameraad van jaren, die afvallig wordt, beschouwt hij op bevel van zijn leiders ogenblikkelijk als zijn doodsvijand. Hoe ik, romantische idealist met een neiging tot het sentimentele, terecht kon komen in deze ontmenselijkende retort van geborneerdheid, haat en gloeiend partijfanatisme, kan ik slechts ten dele verklaren uit mijn politieke onrijpheid, die mij deze mensen als de bevrijders der verdrukten deed zien.

Ik werkte in die tijd als magazijnbediende bij een grote grossiersfirma in technische materialen, machines en gereedschap. Laura was daar telefoniste en zat in een klein kantoortje met een venster, waarlangs ik passeren moest om van de magazijnen naar de winkel te gaan. Ik was toen een jaar of twintig en had minder ervaring in de liefde dan de meesten mijner vrienden.

Mijn eenzelvigheid maakte mij schuw in tegenwoordigheid van vrouwen en links en schuchter als ik was, moet ik de indruk hebben gemaakt van een half-volwassene, wiens sexualiteit nog niet tot ontwikkeling gekomen was. Toch was ik een vroeg-rijpe jongen, die al jaren geleden de weg gevonden had om zelf zijn sterke zinnelijke verlangens te bevredigen.

Het meest had ik mij altijd aangetrokken gevoeld tot oudere vrouwen, die mij bemoederden en die mijn zinnen sterker prikkelden dan jonge meisjes. Met Laura was het anders. Zij was struis en gezond, aards en volbloedig als een jong werkpaard.

Haar toch zeer vrouwelijk lichaam had iets mannelijks en er ging een levenskracht van haar uit, die mij reeds bij onze eerste ontmoeting overrompelde. Zij nam bezit van mij op het ogenblik dat zij mij aankeek en mij toelachte met een rode, diklippige mond, waarin brede ivoren beitels van tanden stonden.

Toen ik haar beter had leren kennen, heb ik mij vaak afgevraagd wat ik, bleke en beschroomde slungel, betekend kan hebben voor deze vrouw, wier voorkeur uitging naar kerels met vuisten en haar op hun borst. Misschien ontdekte zij op het eerste oog, dat ik een gemakkelijke prooi was, een prullig stuk speelgoed, waarmee zij kon doen wat zij wilde.

In wezen hield Laura niet van mannen, zij was zelfstandig en hard genoeg om het zonder liefde te kunnen stellen, te heerszuchtig om beschermende zorgzaamheid te dulden en gebruikte de mannen alleen maar voor de bevrediging van haar lusten en om haar kracht met hen te kunnen meten.

In de tijd dat ik met haar was, had zij twee minnaars, bomen van kerels, die echter stuk voor stuk haar mindere bleken, gespierde lobbesen, die nog om haar liefde bleven bedelen, toen zij afgedankt waren. Slechts één was er, die op den duur tegen haar opgewassen bleek te zijn en die zich, inplaats van terzijde te worden geschoven, tegen haar wil van haar wist los te maken.

Dat ben ik geweest, het klungeltje, dat zij in het begin om haar vinger kon winden. Verstandelijk was ik ruimschoots haar meerdere, ik beschikte over reserves waaraan het haar ontbrak, maar waarvan ik pas gebruik kon maken, toen mijn hartstocht wat geluwd was en mijn critisch inzicht een kans kreeg.

Ik sta hier even bij stil, omdat de ontwikkeling van mijn verhouding met Laura kenmerkend voor mijn karakter is en bijdragen kan tot het verklaren van latere gebeurtenissen. Op intellectueel gebied ben ik nooit een uitblinker geweest, maar ik heb een gezond verstand en een critische geest.

Overwegend gevoelsmens en dus emotioneel reagerend, komt het verstand bij mij echter op de tweede plaats en krijgt pas gelegenheid zich te doen gelden, nadat het gevoel aan de beurt geweest is. Niettemin blijft het waakzaam, wacht het als het ware aan de rand van mijn bewustzijn en waarschuwt mij uit de verte.

Ik kom er echter niet toe te luisteren, voordat de stroom mijner gevoelens in zijn bedding is teruggekeerd. Laura, mijn raspaard, leidde mij binnen in een hippodroom van zinnelijke genoegens en bracht mij met verbluffend gemak en een vrijmoedigheid, die voor mij, burgerjongen, in het begin iets onbegrijpelijks had, op de hoogte van alle regelen van het minnespel.

Ik was met lichaam en ziel aan haar verkocht en was zowel haar minnaar als haar slaaf, zowel haar troetelkind als haar clown. Zij had er plezier in mij als een kind te behandelen, in tegenwoordigheid van anderen op een soms vernederende manier te plagen en haar macht over mij te demonstreren.

In het begin trok ik mij hier niet veel van aan, vond ik het zelfs wel prettig door haar getreiterd te worden en ik geloof dat die eerste maanden van mijn verhouding met Laura, zo niet tot de gelukkigste, dan toch zeker tot de opwindendste en kleurrijkste van mijn leven hebben behoord. Haar mooi, groot en gezond lichaam was voor mij een tuin van genot en het bezit daarvan schonk mij een gevoel van overdadige weelde, zoals ik dit later nooit meer heb ervaren.

Laura was de oudste van het uit vijf kinderen bestaande gezin. Haar vader was baas bij het hoogovenbedrijf, een reus van een vent, het mannelijk maar geschonden en reeds ietwat vervallen evenbeeld van de dochter. Zijn gezin was het merkwaardigste en Arthur Bregel de wonderlijkste vader, die ik ooit leerde kennen.

Toen ik voor de eerste keer de donkere, rommelige woonkamer betrad, was het mij alsof ik op bezoek kwam bij een zigeuner-familie, die op de bovenverdieping van een kazerne-huis beland was, maar geen afstand van haar gewoonten had kunnen doen. Er heerste een wanorde alsof zij op het punt stonden te verhuizen, maar nog niet hadden ingepakt.

Ik kreeg een stoel bij een met wasdoek overdekte tafel, waarop de resten van een met jam besmeerde boterham verspreid lagen. Tussen de korsten en kruimels vierden tientallen vliegen kermis. Na de eerste bezoeken viel mij de wanorde niet meer op en begon ik het gezellig te vinden in dit grote huis vol mensen, die zoveel levendiger waren dan die uit mijn omgeving.

labels: #Ei

Zie ook: