Het gezegde "vroege vogels pakken vers brood" is een bekende uitdrukking in de Nederlandse taal. Maar wat is de oorsprong van dit spreekwoord en wat betekent het precies?

De Betekenis van het Gezegde

De uitdrukking betekent dat mensen die er vroeg bij zijn, de beste kansen hebben. Het impliceert dat wie snel handelt en vroeg opstaat, profiteert van de beste mogelijkheden en voordelen, oftewel "het verse brood pakt".

De Oorsprong van het Gezegde

Hoewel de exacte oorsprong moeilijk te traceren is, ligt de basis van dit spreekwoord in de natuur. Vogels die vroeg op zoek gaan naar voedsel, hebben een grotere kans om iets te vinden voordat andere dieren het oppikken. Dit principe is overgedragen naar menselijk gedrag, waarbij vroege actie vaak tot succes leidt.

Vogels in de Stad: Aanpassing en Overleving

Vogels passen zich opmerkelijk aan aan het stadsleven, waar ze vaak profiteren van de warmte en overvloed aan voedsel. Tirsa gaat op stadssafari met bioloog Auke-Florian op zoek naar de meest voorkomende stadsvogels. In Amsterdam wonen al meer dan 300 soorten. Vogels vinden het fijn in de stad want het is er lekker warm en er is veel eten. Maar hoe overleven al die vogels in de stad?

Voedselbronnen voor Vogels: Meer dan Alleen Brood

Eksters zijn echte omnivoren die door hun nieuwsgierigheid bijna alles wel een keer uitproberen, van een sappige klikker tot de koekjes op tafel. Eksters zijn gek op alles van dierlijke oorsprong zoals insecten, kevers, jonge vogels, kleine zoogdieren. Deze ekster heeft een verse kikker te pakken. Zelfs runderen staan op het menu, tenminste de teken die op hun vacht leven. Deze eksters pikken ze er zorgvuldig van af. Het maakt de ekster overigens niet zoveel uit of het dier nog levend is of al dood. Deze aaseter doet zich tegoed aan een dode egel. Ook voedsel van mensen is een makkelijke voedselbron. Een gevallen frietje of wat weggegooid brood. Deze ekster vloog naar binnen om het koekje vers uit de koekjestrommel te halen. Voedsel stelen is natuurlijk ook een optie. Deze buizerd met een kikker wordt belaagd door een ekster. Door hem aan z'n staart te rekken, hoopt de ekster hem dat de buizerd z'n prooi loslaat.

Tuinvogels Helpen in de Winter

In de winter kunnen vogels wel wat hulp gebruiken. Vogels houden van groene tuinen, met veel beschutte plekjes. Je kunt ze ook naar je tuin lokken met zelfgemaakte vogelhapjes. Manon laat zien hoe je vogelcupcakes maakt van vet, zaden en bessen.

De Rol van Voeding en Genetica bij Vogels

Kauw met witte veren. Trouwlezeres Erica van Oosterhout vraagt waarom kraaien, kauwen en merels soms witte veren tussen de zwarte hebben. Iemand vertelde haar dat die vogels als kuiken opgevoed zouden zijn met kattenbrokken. Ook mij lijkt me dat sterk. Als kattenbrokken tot witte veren leiden, zouden er waarschijnlijk nauwelijks zwarte katten zijn. Vogelveren en zoogdierharen worden zwart dankzij het pigment eumelanine.

De kattenbrokken-verklaring vindt misschien zijn oorsprong in het feit dat die zwarte stadsvogels met witte veren een ongezond voedingspatroon hebben. Als kraaien, kauwen of merels zich uitsluitend of overwegend voeden met brood en patat, zijn ze niet fit genoeg om hun hele pak met het kostbare pigment zwart te houden. Op de site van Vogelbescherming Nederland worden zulke witte veren daarom ‘patatveren’ genoemd. Maar witte veren kunnen ook een genetische oorsprong hebben.

Je denkt bij witte vogels algauw aan albinisme, waarbij niet genoeg pigment wordt aangemaakt. Albino’s zijn er weinig in de vogelwereld - witte kauwen en merels vallen meer op en zijn dus kwetsbaarder voor katten en andere roofdieren, ze zijn onder soortgenoten wellicht minder geliefd als partner en vooral: ze kunnen minder goed zien, wat in de vogelwereld neerkomt op een kort leven. Ook compleet witte vogels hebben meestal geen rode oogjes en zijn dus geen albino’s. Die vogels hebben leucisme.

Leucistische vogels maken genoeg eumelanine aan, maar het pigment kan de veren niet (overal) bereiken.

Bedreigde Vogelsoorten: De Kwartelkoning

De grootste verrassing was dit jaar te terugkeer van de kwartelkoning. Op drie verschillende plekken langs de rijk begroeide dijk hoorde ik in het hoge gras de markant raspende roep van het de mannetjeskwartelkoning. Zelfs niet vogelaars bleven verrast staan: Van wat horen we nu? De kwartelkoning is één van de weinige Nederlandse broedvogels, zo niet de enige die voorkomt op de lijst van op wereldschaal bedreigde vogels.

Ze prefereren een hoge en vrij dichte vegetatie om hun broedsels groot te brengen; een habitattype dat in grote delen van Europa uniek is. Vroegere maaidata en toenemende cultivering van beek- en rivierdalen hebben de soort gedecimeerd. Het zwaartepunt van de soort moeten we daarom zien te vinden in gebieden met minder intensieve landbouw zoals in Polen, de Baltische Staten, Wit-Rusland en de Russische Federatie. In ons land is de kwartelkoning voornamelijk gebonden aan reservaatgebieden van de Grote Rivieren en op plekken in beekdalen met een beheersovereenkomst.

Gezien de hoge eisen die deze trekvogel terugkomend uit Afrika aan zijn broedgebieden stelt, is het niet verwonderlijk dat de kwartelkoning in aantal dramatisch is terug gelopen in zijn Europese verspreidingsgebied. Dankzij beschermende maatregelen hebben ze hier en daar de laatste jaren een langzame comeback gemaakt.

De roep van de kwartelkoning is op grote afstand te horen. Het is een heel apart geluid dat onmogelijk met andere geluiden is te verwarren en vrij makkelijk is na te bootsen door je zakmes over een haarkam te halen. Het zijn alleen de mannetjes die vooral ’s nachts het meest luidruchtig zijn. Een vogel die je vooral hoort en bijna nooit ziet heeft iets mysterieus.

De meeste kwartelkoningen arriveren in het voorjaar als één van de laatste zomergasten en keren in het najaar terug richting Afrika, zonder dat ze op andere plekken worden gezien. Dat onderstreept nog eens extra hun mysterieuze voorkomen. Ze leggen een flink aantal eieren, 8 à 12. De zwarte donsjongen worden verzorgd door het vrouwtje en verlaten het nest al vrij vlot. Daar de kwartelkoning in broedtijd zich alleen veilig voelt in een vrij lange begroeiing, is deze soort gebaat bij een laat maaibeheer, wat ook geldt voor het porseleinhoen , een verwante soort die een aantal jaren terug ook in hetzelfde gebied langs de IJssel broedde.

Vogels en Elektriciteit: Een Gevaarlijke Combinatie

Veel vogelsoorten verpoosden graag op die draden. Vogelaars spraken dan van draadzangers. Zo was de geelgors een veelgenoemde draadzanger en ook de boompieper werd veel als zodanig genoemd. De mooiste draadzanger was de roodborsttapuit. Het moet veel lezers het aangename gevoel hebben gegeven dat niet elke technische vooruitgang zich tegen de natuur keerde. Toch werd dat genoegen in 1914 wreed verstoord toen natuurbeschermer Jan Drijver in dezelfde DLN schreef over de keerzijde van deze medaille.

Boerenzwaluwen en spreeuwen mochten zich dan graag terugtrekken op telegraafdraden, voor veel andere vogelsoorten waren ze een dodelijk gevaar, vooral voor trekvogels . Kwamen ze er mee in aanraking dan braken ze hun vleugels en betekende dat einde verhaal. In één jaar had Drijver onder langs een telegraaftraject van nog geen zes kilometer meer dan twintig dode vogels geteld. Ging je dat gegeven extrapoleren naar een telefoonnet in 1911 van 3071 km en een rijkstelegraafnet van7600 km dan werden duizenden vogels jaarlijks het slachtoffer.

Nu ligt het elektriciteitsnet van de regionale netbeheerders bijna overal onder de grond en het telefoonverkeer verloopt draadloos. Verplaatsen we onze focus naar het bovengrondse hoogspanningsnet, beheerd door Tennet, dan is de kans om daar zwaluwen op aan te treffen niet groot. Vogels zitten bij voorkeur niet op hoogspanningslijnen; wel zitten ze op de spanningsloze draden die als bliksemafleiders fungeren. Toch zie je soms nog wel vogels op elektriciteitslijnen zitten, tenminste als de spanning niet te hoog is. Liever op 110-kilovoltlijnen dan op 380-voltlijnen Hieruit blijkt dat vogels het elektrisch veld rond hoogspanningslijnen kunnen detecteren. Hoe ze dat ervaren is onbekend. Beter kunnen we afgaan op ervaringen van monteurs die werken aan lijnen die onder spanning staan. Overigens is het zg.“Live-line working” in Nederland bij de wet verboden.

Wel is het voorstelbaar dat vogels de hitte rond hoogspanningskabels kunnen voelen. Die kan bij hoge stroomsterktes, windstil en droog weer flink oplopen tot wel 70 á 80 graden Celsius. In de regel is het verschil met de omgevingstemperatuur gering. Wel houdt men er rekening mee dat doorhangende lijnen de bomen in bosgebieden in de fik kunnen steken. Vandaar dat bossen onder hoogspanningen gekapt worden.

Tenslotte; vogels kunnen op het spoor van hoogspanningen gezet worden doordat de kabels bij vochtig, mistig, of miezerig weer een licht gekwetter ten gehore brengen . Hogere spanningen leiden tot een frequenter gekwetter. Het geluid dat wind in de kabels opwekt staat hier los van.

labels: #Brood

Zie ook: