Bij het gebruik van insuline, en soms ook alleen bij het gebruik van tabletten, is het belangrijk dat u regelmatig uw bloedglucosegehalte bepaalt. Maar hoe vaak moet u meten? Het antwoord is simpel: zo vaak als nodig en zinvol is. Maar wat betekent dat? Dat hangt af van een aantal factoren.

Factoren Die De Meetfrequentie Beïnvloeden

  • Medicatie: Bij insulinegebruik geldt vaak: hoe meer injecties per dag, hoe vaker meten. Zonder insuline is meten slechts sporadisch zinvol, in bijzondere omstandigheden die uw glucosewaarden kunnen doen ontregelen.
  • Diabetesregulatie: Ook de mate en stabiliteit van uw diabetesregulatie spelen een rol. Als uw diabetes goed is ingesteld kunt u met minder zelfcontrole toe.
  • Verandering van medicatie: Verandering van uw medicatie, en met name het overgaan van tabletten op insuline, is een goede reden uw glucose een tijdje vaker te meten, tot de situatie is gestabiliseerd.
  • Kans op hypo's: Bij gebruik van een SU tablet of insuline is meting van uw bloedglucose nuttig om hypo's vast te stellen zodra u de eerste klachten ervaart. Of nog beter om een hypo te vermijden, door voor een forse inspanning te kijken of, bij een wat lage glucosewaarde, wellicht eerst extra koolhydraten nodig zijn.
  • Ontregelingen: Meerdere malen per dag uw bloedglucose testen is erg zinvol als sprake is van factoren die uw diabetes kunnen ontregelen.

Het Doel van Zelfcontrole

Zelfcontrole is geen doel op zich, maar een middel om uw glucosewaarden zoveel mogelijk binnen de afgesproken streefwaarden te houden. Het helpt als u daarbij een concreet doel voor ogen hebt.

Zo kunt u met af en toe meten op vaste tijden controleren of uw medicatie nog in balans is met uw normale patroon van eten en bewegen. U meet dan bijvoorbeeld eens per 1 tot 3 weken.

Dat geldt voor mensen die een of tweemaal daags insuline gebruiken. Wie vaker spuit of een insulinepomp heeft, wordt aangeraden vrijwel dagelijks dagcurves te maken.

Extra metingen naast dagcurves hebben zin om dreigende ontregelingen te voorkomen of tijdig op te merken. Bijvoorbeeld als u zich flink gaat inspannen, ziek bent of veel alcohol dronk.

Meerdere dagcurves per week kunnen, als uw diabetes niet zo goed is ingesteld, helpen een patroon in uw glucosewaarden te herkennen, waarmee u de oorzaak kunt opsporen.

Dagcurves

Meestal krijgt u de vraag om op bepaalde dagen vier keer per dag uw bloedglucosewaarde te meten. Anders gezegd: een vier-punts dagcurve te maken.

Uw zorgprofessional zal u vragen om regelmatig een dagcurve te maken. U moet dan op vaste tijden uw glucose testen en dit opschrijven in een dagboekje. Daarmee kan uw zorgprofessional controleren of uw medicatie nog in balans is met uw normale patroon van eten en bewegen.

Spuit u één of tweemaal daags insuline dan is het vaak voldoende om eens in de paar weken een dagcurve te maken. Daarnaast zult u af en toe controleren of uw glucosewaarde te hoog of te laag is. Ook kan het interessant zijn de effecten van bijvoorbeeld voeding of beweging te meten. Bij voeding doet u dit door voor en anderhalf uur na het eten uw bloedsuiker te meten. Bij bewegen meet u ervoor, direct erna en eventueel twee uur na het bewegen.

Mensen die meerdere keren per dag insuline spuiten of een insulinepomp hebben, krijgen het advies dagelijks een dagcurve te maken.

Een controleschema waarbij nuchter, voor de maaltijden en voor het slapen wordt gecontroleerd, noemen we een 4-punts dagcurve. Wanneer ook voor en na de maaltijden wordt gecontroleerd, noemen we dit een 7-punts dagcurve. Soms wordt ook gevraagd ’s nachts te controleren.

Zelfregulatie: Aanpassen van de Insulinedosering

Zelfregulatie betekent dat u zelf de dosis insuline of uw voeding aanpast als dat nodig is. Bijvoorbeeld als u ziek bent of gaat sporten. Ook kan het nodig zijn de dosis insuline aan te passen op basis van uw glucosewaarden. De diabetesverpleegkundige leert u precies hoe u zelf uw insulinedosering en uw voeding kunt aanpassen. Daarnaast is het belangrijk dat u leert van uw eigen ervaring.

Voordat u zelf uw dosering insuline kan aanpassen is het belangrijk te weten:

  • Hoe de insuline die u gebruikt werkt.
  • Op welke manier uw bloedglucosewaarden tot stand komen.

Richtlijnen voor aanpassing van de insulinedosering

Het streven is om de bloedglucosewaarde in de ochtend nuchter, tussen de 4 en 7 mmol/l te krijgen. Afhankelijk van deze waarde past u de insulinedosering aan. Breng altijd kleine veranderingen aan.

Onderstaand schema kunt u gebruiken voor het aanpassen van uw dosering. Let op: dit zijn richtlijnen.

Bloedglucosewaarde (mmol/l) Aanpassingsdosis
Lager dan 4 ...eenheden minder
4 - 7 geen aanpassing
7 - 10 ....eenheden meer
Groter dan 10 ....eenheden meer

Het maximale effect van de verandering beoordeelt u meestal na 2 of 3 dagen. Bepaal de nuchtere bloedglucosewaarde om het effect van de aanpassing te controleren.

Als blijkt dat u te veel heeft aangepast, gaat u terug naar de vorige dosis. Pas de insuline niet aan op basis van één uitzondering (bijvoorbeeld 1 keer hoger dan 7). U past de insuline alleen aan als de afwijking vaker te zien is.

Het Meten van de Bloedglucosewaarde

Om te weten of de dosering insuline juist is of dat u meer of minder insuline nodig heeft, meet u uw bloedglucosewaarden. Dat doet u met een 5 punts glucosedagcurve:

  1. Nuchter (vóór het ontbijt)
  2. 1,5 uur na het ontbijt
  3. 1,5 uur na de lunch
  4. 1,5 uur na de avondmaaltijd
  5. Voor het slapen gaan

Meet daarnaast altijd uw bloedglucose bij klachten van een hypoglykemie of als u zich niet goed voelt. De diabetesverpleegkundige vertelt u hoe vaak u moet meten. Tijdens de instelfase wordt vaak 1 keer per week geadviseerd. Bij een stabiele regulatie is 1 keer per maand vaak voldoende.

Streefwaarden bloedglucose

  • Nuchter (vóór het ontbijt) - tussen de 4 en 7 mmol/l.
  • 1,5 uur na de maaltijd* - tussen de 4 en 8 mmol/l.

*Na een maaltijd neemt de glucose in het bloed eerst langzaam toe. Vervolgens daalt de glucose in het bloed weer langzaam. U meet 1,5 uur na de maaltijd omdat dan de bloedglucosewaarde het hoogst is.

Bovengenoemde streefwaarden zijn richtlijnen. In sommige situaties, zoals hogere leeftijd, hanteren we andere streefwaarden.

Tips voor een Correcte Bloedglucosemeting

  • Om er zeker van te zijn dat uw bloedglucosemeter de juiste uitslag geeft, is het van belang dat u uw meter eenmaal per jaar laat controleren.
  • Het is belangrijk om uw handen te wassen voordat u uw bloedsuiker meet omdat er altijd resten van suiker aan uw handen kunnen zitten en dat zou de uitslag kunnen beïnvloeden. Vergeet ook niet uw handen goed af te drogen voordat u test, want vocht aan uw vingertoppen heeft eveneens invloed op de uitslag.
  • Om een goede bloeddruppel te krijgen voor het bepalen van uw suikerwaarde, prikt u liever niet in uw duim en wijsvinger. Beter kunt u de middelvinger, de ringvinger en de pink van beide handen gebruiken. Prik niet bovenop de vingertop want daar zitten de meeste tastzintuigen. Dit is pijnlijker. Aan de zijkanten van de vingertoppen kunt u wel prikken. Voor het behoud van uw vingers is het goed om af te wisselen tussen de linker- en rechterkant van de vingertoppen.
  • Bewaar de test strips koel en droog.

Alternatieve Meetmethoden

Een sensor meet uw glucosewaarden zonder vingerprikken te doen. De glucosewaarde wordt gemeten in onderhuids weefselvocht. Hiervoor plaatst u een sensor met een pleister en een flexibel naaldje op de achterkant van uw bovenarm.

labels:

Zie ook: