Deze folder geeft algemene en veilige richtlijnen over zelfregulatie bij diabetes mellitus. Het is de bedoeling dat u de getallen in deze schema’s aanpast aan uw eigen situatie en op basis van uw eigen ervaring. De diabetesverpleegkundige kan u hierbij helpen.
Wat zijn de streefwaarden voor bloedglucose?
Het is belangrijk om te weten wat de streefwaarden zijn voor bloedglucose, zodat u weet wanneer u actie moet ondernemen.
- Nuchter en voor de maaltijden: 4 - 7 mmol/l
- Na de maaltijden: 7 - 9 mmol/l
- Voor het slapen gaan: rond de 7 - 8 mmol/l
- ’s Nachts: hoger dan 4 mmol/l
Het is belangrijk dat je bloedglucosewaarde voor het slapen gaan boven de 6 tot 8 mmol/ l is. Het is belangrijk dat je voldoende glucose in het bloed hebt om de nacht goed door te brengen.
Zelfregulatie
Zelfregulatie betekent dat u zelf de dosering insuline aanpast als dat nodig is. Uitgangspunt hierbij is dat u leeft zoals u graag wilt leven en dat u leert hoe u uw insulinedosering hierop kunt aanpassen.
Voordat u aan zelfregulatie begint, is het belangrijk dat u goed met de zelfcontrole kunt omgaan. Controleer daarom regelmatig uw bloedglucose. Dan ziet u hoe uw bloedglucose waarden reageren in diverse situaties zoals sporten, ziekte, uit eten gaan enz.
Deze betrouwbaarheid krijgt u door de adviezen die u van de diabetesverpleegkundige krijgt voor de zelfcontrole goed toe te passen. Bijvoorbeeld: van tevoren handen wassen en goed drogen, correct coderen als dit van toepassing is, niet de vingertop stuwen, vervaldatum strips controleren enz.
Belangrijk bij afwijkingen in de bloedglucose waarden
Bij afwijkingen in de bloedglucose waarden is het van belang om onregelmatigheden na te lopen in:
- De voeding
- De spuitplaatsen
- Het bewegingspatroon
- De naaldlengte
Aanpassen van de basisinstelling bij 1 of 2 x daags insuline
Voordat u met zelfregulatie start, moet u weten hoe de insuline werkt die u gebruikt. Wanneer u de insulinedosering verandert, houd dan drie dagen de nieuwe dosering aan. Dan is het effect van de verandering duidelijk. Vervolgens controleert u of u met de nieuwe dosering weer goede bloedglucosewaarden heeft. Zonodig herhaalt u deze handeling.
De (middel)lang werkende insuline (Insulatard, Humuline NPH, Lantus, Levemir)
Probeer samen met de arts/diabetesverpleegkundige eerst een stabiele basisinstelling te verkrijgen. Gebruik hiervoor de (middel)lang werkende insuline.
Pas de dosering (middel) langwerkende insuline aan als:
- Nuchtere bloedglucose > 10 mmol/l: verhoog dosering (middel)langwerkende insuline met 2 - 4E
- Nuchtere bloedglucose > 7 - 10 mmol/l: verhoog dosering (middel)langwerkende insuline met 2E
- Heeft u nachtelijke hypo’s ? verlaag dosering (middel)langwerkende insuline met 2E: overleg met de arts of diabetesverpleegkundige als de nachtelijke hypo’s vaker voorkomen.
Mengsel insuline ( Novomix / Humalog Mix / Humuline 30/70)
Dit zijn insuline soorten die een mengsel bevatten van snelwerkende insuline en middellangwerkende insuline. Met deze insuline mengsels kunt u niet bijreguleren.
Want als de bloedglucose hoog is en u spuit extra insuline dan verlaagt dit uw bloedglucose op korte termijn door de snelwerkende insuline maar ook op lange termijn door de middellangwerkende insuline. Dit effect op de lange termijn kan hypo’s veroorzaken. Dus wanneer u met 2 x dd wilt bijreguleren doe dat altijd met een snelwerkende insuline zoals Humalog / Novorapid / Apidra/Fiasp/Aspart of Lyumjev.
De standaarddosis mengsel insuline van de ochtend controleert u door de volgende bloedglucose bepalingen:
- 5 - 2 uur na het ontbijt
- Voor de middag maaltijd
- 5 tot 2 uur na de middag maaltijd
De standaarddosis mengsel insuline van de avond controleert u door de volgende bloedglucose bepalingen:
- 5 - 2 uur na het avondmaaltijd
- Voor het slapen gaan
- De volgende dag nuchter
Als de gemeten bloedglucose te hoog is (zie onder Wat zijn de streefwaarden van bloedglucose), pas dan de betreffende dosering mengsel insuline aan met 2 - 4E.
Eenmalig aanpassen van insuline
Het onderstaand schema bevat enkele algemene richtlijnen als uw bloedglucose voor de maaltijd te hoog is (dus niet standaard). Wanneer u de bloedglucose steeds moet bijreguleren, dan moet u de basisinstelling aanpassen. Bij het eenmalig bijreguleren van een hoge bloeglucose gebruikt u altijd de snelwerkende insuline.
De snelwerkende insuline (Humalog / NovoRapid / Apidra/Fiasp/Lyumjev of Aspart))
Deze snelwerkende insuline kunt u bij iedere dosis opnieuw aanpassen. Maar er bestaat een groot verschil in de werkzaamheid van insuline tussen patiënten. Bij zelfregulatie zoekt u zelf uit hoe u reageert op de insuline in dagelijkse en in uitzonderlijke omstandigheden. Variëren met een dosis van 2 tot 4 E insuline is veilig. Maar zoals al aangegeven is het effect verschillend. De één reageert al op 1 E terwijl een ander 4 E moet spuiten voor een zelfde effect.
Extra snelwerkende insuline bovenop uw gewone hoeveelheid voor de maaltijd. Als de bloedglucose voor de maaltijd:
- 10 - 15 mmol/l: 2E extra
- 15 - 20 mmol/l: 4E extra
- > 20 mmol/l: 6E extra Bij geen effect, overleg met arts/ diabetesverpleegkundige.
De regel van 100 is een meer individuele maat om tekunnen uitrekenen hoeveel de bloedglucose daalt, wanneer u 1E insuline bij spuit. De diabetesverpleegkundige kan u dit verder uitleggen.
100 : totale dagdosis insuline = ………… mmol/l
1E = …….. mmol/l dalen
bijv. 100 : 50E (=totale dagdosis insuline) = 2 mmol/l
dat wil zeggen 1E geeft daling van 2 mmol/l.
Aanpassen van de basisinstelling bij 4 x daags insuline
Voordat u met zelfregulatie start, moet u weten hoe de insuline werkt die u gebruikt. Wanneer u de insulinedosering verandert, houd dan 3 dagen de nieuwe dosering aan. Dan is het effect van de verandering duidelijk. Vervolgens controleert u met de nieuwe dosering of u weer goede bloedglucosewaarden heeft. Zonodig herhaalt u deze handeling.
De (middel)lang werkende insuline (Touejo,Tresiba, Abasaglar, Lantus of Levemir)
Probeer samen met de arts/diabetesverpleegkundige eerst een stabiele basisinstelling te krijgen voor de (middel)lang werkende insuline. Deze dosis controleert u door de volgende bloedglucose bepalingen te doen:
- Voor het slapen gaan
- ’s Nachts om 3.00 uur (op indicatie)
- De volgende dag nuchter
Pas de dosering (middel) langwerkende insuline aan als:
- Nuchtere bloedglucose > 10 mmol/l: verhoog dosering (middel)langwerkende insuline met 2 - 4E
- Nuchtere bloedglucose > 7 - 10 mmol/l: verhoog dosering (middel)langwerkende insuline met 2E
- Heeft u nachtelijke hypo’s? Verlaag dosering (middel)langwerkende insuline met 2E. Overleg met de arts of diabetesverpleegkundige als de nachtelijke hypo’s vaker voorkomen.
De snelwerkende insuline (Humalog/NovoRapid / Apidra/Aspart, Fiasp of Lyumjev)
Deze snelwerkende insuline kunt u bij iedere dosis opnieuw aanpassen. Maar er bestaat een groot verschil in de werkzaamheid van insuline tussen patiënten. Bij zelfregulatie zoekt u zelf uit hoe u reageert op de insuline in dagelijkse en in uitzonderlijke omstandigheden. Variëren met een dosis van 2 tot 4 E insuline is veilig. Maar zoals al aangegeven is het effect verschillend. De een reageert al op 1 E terwijl een ander 4 E moet spuiten voor een zelfde effect.
De standaarddosis snelwerkende insuline controleert u door de volgende bloedglucosebepalingen:
- voor de maaltijd.
- 5 tot 2 uur na de maaltijd.
Pas de standaarddosering snelwerkende insuline rond de maaltijd aan als:
Na de maaltijd > 9 mmol/l: verhoog dosering snelwerkende insuline direct voor de betreffende maaltijd met 2 - 4E
Eenmalig aanpassen van insuline
Het onderstaand schema bevat enkele algemene richtlijnen als uw bloedglucose voor de maaltijd te hoog is (dus niet standaard). Wanneer u de bloedglucose steeds moet bijreguleren, pas dan de basisinstelling aan. Bij het eenmalig bijreguleren van een hoge bloedglucose gebruikt u altijd de snelwerkende insuline.
Extra snelwerkende insuline bovenop uw gewone hoeveelheid voor de maaltijd.
Als de bloeglucose voor de maaltijd:
- 10 - 15 mmol/l: 2E extra
- 15 - 20 mmol/l: 4E extra
- > 20 mmol/l: 6E extra Bij geen effect, overleg met arts / diabetesverpleegkundige.
De regel van 100 is een meer individuele maat om uit te rekenen hoeveel de bloedglucose daalt, wanneer u 1E insuline bij spuit. De diabetesverpleegkundige kan u dit verder uitleggen.
100 : totale dagdosis insuline = ………… mmol/l
1E = …….. mmol/l dalen
bv. 100 : 50E (=totale dagdosis insuline) = 2 mmol/l
dat wil zeggen 1E geeft daling van 2 mmol/l.
Aandachtspunten bij het bijreguleren
- Corrigeer niet vaker dan om de 2 uur om insulinestapeling te voorkomen.
- Kijk de houdbaarheidsdatum na van uw insuline. Deze is na het aanbreken nog 4 of 6 weken houdbaar.
- Ziet u na twee keer bijspuiten geen bloedglucose verlagend effect, neem dan contact op met de diabetesverpleegkundige of internist.
- Een hoge bloedglucose voor het slapen kunt u corrigeren met een extra injectie kort- of snelwerkende insuline. Dus niet door extra (middel)langwerkende insuline te spuiten!
- Om hypo’s in de nacht te voorkomen wordt geadviseerd voor het slapengaan niet te snel over te gaan tot bijspuiten (bijvoorbeeld pas bij bloedglucose boven de 15 mmol/l)
- Voor bijspuiten voor de nacht geldt: halveren van de hoeveelheid snelwerkende insuline die u overdag zou gebruiken. Hierna is het raadzaam om 3 uur ‘s nachts de bloedglucose te controleren om te voorkomen dat u in een hypo kan komen.
- Alcohol geeft een bloedglucose verlagend effect (vooral enkele uren na inname) Bij meer dan de toegestane consumpties kunnen de verschijnselen van een hypoglycaemie minder goed gemerkt worden.
- De diëtiste adviseert maximaal 2 consumpties per dag te nemen en per glas 5 gram koolhydraten extra te eten. Behalve als de alcohol tijdens de maaltijd wordt gebruikt.
- Klachten zoals misselijkheid en braken kunnen wijzen op een ernstig insulinetekort. Daarom is het advies bij braken altijd bellen!
- Bij een te hoge nuchtere bloedglucose is een extra bloedglucose controle in de nacht nodig.
Dit omdat de oorzaak en dus de reactie hierop erg kan verschillen:
- Als de bloedglucose de hele nacht te hoog is, heeft u meer (middel)lang werkende insuline nodig
- Als er in de loop van de nacht een hypo is geweest die u misschien niet heeft opgemerkt, kan het lichaam hierop reageren met een hoge bloedglucose bij het opstaan. Dit heet het zogenaamde Somogyi-effect en dit betekent dat u juist minder insuline nodig heeft in de nacht
- Soms is er sprake van een sterk toenemende insulinebehoefte in de vroege morgen. Dit heeft een verhoogde nuchtere bloedglucose tot gevolg. Dit noemt men het ‘dawn’ -fenomeen. Verhoging van de (middel)lang werkende insuline kan dan nodig zijn maar zou ook tot hypo’s vroeg in de nacht kunnen leiden
- Vraag hierover specifiek advies aan uw internist of diabetesverpleegkundige
Bijreguleren voor extra koolhydraten
Als u een keer meer kH bij de maaltijd gebruikt dan gewoonlijk of u eet tussendoor extra kH, dan kunt u uw insulinedosering daarop aanpassen. De diabetesverpleegkundige kan u hierover persoonlijk advies geven met de regel van 500:: totale dagdosis insuline = ………………gram kH
1E = ………..gram kH extra
bv. 500 : 50E (totale dagdosis insuline) = 10 gram kH
dat wil zeggen voor 10 gr kH extra is 1E nodig.
Hyperglycemie
Bij een hyper is er een te hoge bloedglucose, vaak boven de 10 mmol/l. U kunt dezelfde waarschuwingssignalen ondervinden als in de periode voordat de diagnose werd gesteld.
De meest opvallende verschijnselen:
- Moeheid
- Slaperigheid
- Veel dorst
- Veel plassen
- Veel drinken
- Droge tong
- Wazig zien
Sommige mensen hebben nauwelijks klachten van een hoge bloedglucose. Een hyper komt bijna nooit plotseling op. Er is dus voldoende tijd om in te grijpen.
Een hyper kan ontstaan door:
- Meer te eten dan gewoonlijk
- Minder te bewegen dan gebruikelijk
- Minder tabletten in te nemen dan voorgeschreven
- Te weinig insuline injecteren
- Insuline op een verkeerde manier injecteren
- Gewichtstoename
- Menstruatie
- Ziekte en koorts
- Stress
Wat te doen bij een hyperglycemie
U kunt de volgende maatregelen nemen:
- Uw bloedglucose meten, wanneer u een sensor gebruikt >15 mmol extra controle door middel van een vingerprik
- Extra drinken, met name water, vermijd drinken van suikerhoudende dranken
- Als uw bloedglucose beneden de 15 mmol/l is, extra bewegen
- Extra insuline injecteren, zie voor adviezen verder in deze folder
- Contact opnemen met arts of diabetesverpleegkundige als uw bloedglucose hoog blijft of als een hoge bloedglucose vaak voorkomt of als u gaat braken
- Bij insulinepompgebruikers of kinderen met diabetes, eventueel controleren van de urine/bloed op ketonen
Advies bij een hyperglycemie
Advies bij een hyperglycemie is om ruim voldoende suikervrije dranken te drinken(bv water, thee zonder suiker etc). Stop nooit met jouw tabletten of insuline. Elk acuut gebeuren in jouw lichaam activeert stresshormonen.
Alcohol werkt bloedglucose-verlagend, vaak pas na enkele uren. Indien je alcoholische dranken gebruikt die geen koolhydraten bevatten (zoals droge wijn of sherry, jonge jenever, cognac, wodka) houd dan de bloedglucose in de gaten en eet wat koolhydraten. Controleer zo nodig de bloedglucosespiegel, in ieder geval voor het slapen.
Bier bevat zowel koolhydraten als alcohol. Bij het spuiten van ultrakortwerkende insuline (bijvoorbeeld aspart) kan een tussendoortje van 10 tot maximaal 15 gram koolhydraten over het algemeen wel gebruikt worden. Tussendoortjes die meer koolhydraten bevatten, laten de bloedglucosewaarde over het algemeen teveel stijgen.
Hypoglycemie
Een hypo is een te lage bloedglucose, beneden 4 mmol/l. Het lichaam geeft meestal waarschuwingssignalen:
- Zweten
- Beven
- Duizeligheid
- Slecht zien
- Hoofdpijn
- Hongergevoel
- Prikkelbaarheid
Ieder heeft zijn eigen symptomen bij een hypo. Bij iedereen zijn deze signalen verschillend van mate en aantal.
Een hypo kan ontstaan door:
- Minder te eten dan gewoonlijk of een maaltijd over te slaan
- Meer lichamelijke inspanning dan gebruikelijk
- Glucoseverlagende tabletten op een verkeerd tijdstip in te nemen
- Meer tabletten in te nemen dan voorgeschreven
- Te veel insuline te injecteren
- Te veel alcohol te drinken
Wat te doen bij een hypoglycaemie
Een hypo kunt u opvangen met:
- Ranja (25-30 cc) met water of 4-6 tabletten druivensuiker
- Na 10-15 minuten 15 gram kH eten (bv. een boterham) of de geplande maaltijd nemen.
Dit eten van extra kH is niet altijd nodig als de laatste maaltijd minder dan 1 uur voor de hypo genomen is. De langwerkende kH van deze maaltijd worden op dat moment al omgezet in glucose
Als na 20 minuten uw bloedglucose nog steeds lager dan 4 is als u een sensor heeft meet dan de bloedglucose door middel van een vingerprik, is deze ook <4 mmol/l, neem dan nogmaals ranja of druivensuiker
- Probeer de oorzaak van de hypo te achterhalen
- Pas zonodig standaard de insuline aan om steeds terugkerende hypo’s te voorkomen
Als de bloedglucose vóór de maaltijd lager dan 4 mmol/l is, dan:
- Ranja of 4-6 tabletten druivensuiker nemen
- De geplande maaltijd nemen
- Na de maaltijd spuiten
- Probeer de oorzaak van de hypo te achterhalen
- Pas zonodig standaard de insuline aan om steeds terugkerende hypo's te voorkomen
Gevoelens van een hypo hoeven niet altijd te berusten op een echte hypoglycaemie. Mensen die langere tijd een hoge bloedglucose hebben gehad, kunnen bij een daling ‘hypo-verschijnselen’ hebben zonder dat de bloedglucose onder de 4 mmol/l is. Dit noemen we een pseudo-hypo. Daarom moet bij hypogevoelens gemeten worden. Vaak verminderen de gevoelens door één tablet druivensuiker te nemen.
Hoge bloedglucose waarden, zelfs uren na een hypo, zijn vaak het gevolg van tegenregulatie:
Bij een hypo komen hormonen vrij die de reservevoorraad aan glucose in het lichaam omzetten tot glucose in het bloed. U meet dan hogere bloedglucose waarden. Spuit dan geen extra insuline, want dan is de kans groot dat u weer in een hypo komt. Extra water drinken is vaak voldoende.
Het is goed om er rekening mee te houden dat hypogevoelens door de duur van de diabetes, gebruik van alcohol... NB. Er is sprake van een hypoglycemie wanneer de bloedglucosewaarde lager dan 3,5 mmol/l is. Probeer te voorkomen dat de hypoglycemie een hyperglycemie veroorzaakt.
Wanneer moet u direct de huisarts of huisartsen-spoedpost bellen?
In deze situaties bel je direct de huisarts of de huisartsen-spoedpost. Of je vraagt iemand anders om snel te bellen:
- Je hebt suiker gegeten of gedronken. Maar je bloedsuiker blijft lager dan 3,9.
- Je merkt dat je niet meer goed reageert als iemand iets tegen je zegt.
- Je haalt moeilijk adem.
- Je bent in de war.
- Je gaat beven, zweten of gapen. En suiker helpt niet.
- Je wordt 's ochtends onrustig wakker. En suiker helpt niet.
- Je krijgt hoofdpijn en ziet wazig of dubbel. En suiker helpt niet.
- Je plast niet of heel weinig. En je hebt dorst.
- Je geeft over.
In deze situaties bel je dezelfde dag je huisarts of de huisartsen-spoedpost:
- Je hebt een ontsteking. Bijvoorbeeld een longontsteking, huidontsteking of blaasontsteking.
- Je bent ziek met koorts, overgeven of diarree.
Bel deze week je huisarts als je een wond aan je voet hebt die niet geneest.
labels:
Zie ook:
- Ontdek de Verrassende Rol van Glucose in Brood: Samenstelling, Functies en Invloed op je Gezondheid
- Ontdek Wat Normale Glucosewaarden 2 Uur Na Maaltijd Betekenen Voor Jouw Gezondheid!
- Ontdek Hoe Vaak Je Bloedsuiker Moet Meten Na De Maaltijd Voor Optimale Gezondheid!
- Vulling voor een Taart: Inspiratie & Recepten voor de Lekkerste Taarten
- Onmisbare Tips voor de Perfecte Voeding van Ouderen die Je Moet Weten!




