Nationaal Park Oosterschelde is het kloppend hart van de Zeeuwse Delta: een dynamische wereld van wind, water, slikken en schorren, binnendijkse moerasgebieden en een landschap waaruit het leven met het water te lezen is. De Oosterschelde is de laatste zeearm van het Zeeuwse en Zuid-Hollandse estuarium die als onderdeel van de Deltawerken werd afgedamd.
De Oosterschelde: Van Estuarium tot Baai
Oorspronkelijk zou dit estuarium volledig worden afgesloten, maar vanwege de hoge natuurwaarden werd in de jaren 1970 besloten een open stormvloedkering aan te leggen, een compromis tussen veiligheid, milieu en visserij (mossels, oesters). De in 1985 voltooide stormvloedkering, hét pronkstuk van de Deltawerken, zorgt voor een gedempte getijdenwerking. Alleen bij extreem hoge stormvloed wordt de kering gesloten.
Het oostelijke deel van de Oosterschelde (Markiezaat) en het noordelijke deel (Krammer-Volkerak en Zoommeer) werden wel volledig afgesloten door de aanleg van compartimenteringdammen (de Oesterdam en Philipsdam). Hierdoor veranderden deze gebieden in zoetwatermeren. Ongeveer tot in de derde eeuw na Chr. (in de fase van het zogenaamde Hollandveen) was de Oosterschelde als een rivier of zelfs veenstroom te betitelen, maar daarna, toen de zee steeds meer bezit nam van Zuidwest-Nederland, kreeg ze het karakter van een echt estuarium in een uitgestrekt schorrenlandschap. Er ontstonden ook diverse andere kreken, waaronder de huidige Westerschelde. De mens probeerde door inpolderingen het verloren gegane land op de zee terug te veroveren.
De Deltawerken hadden grote gevolgen. Door de afdamming van Krammer-Volkerak, Zoommeer en Markiezaat nam het areaal aan open water, droogvallende platen en schorren sterk af. De toevoer van zoet water vanuit de rivieren verminderde en het zoutgehalte nam toe. De voordien aanwezige zoetzoutgradiënt in het gebied verdween. Doordat er minder uitwisseling met zeewater plaatsvond, steeg de watertemperatuur in de zomer. Tegelijkertijd verbeterde de waterkwaliteit (o.a. het doorzicht), doordat minder nutriënten en verontreinigende stoffen werden aangevoerd.
Het gemiddelde getijverschil en de gemiddelde hoog- en laagwaterstanden werden met zo'n 15 % gereduceerd en de stroomsnelheden namen af. Door al deze veranderingen kreeg het gebied een geheel andere geomorfologie. Door de lagere stroomsnelheid werden de geulen steeds ondieper, een proces dat nog steeds doorgaat. Het sediment dat nodig is om de geulen op te vullen, wordt vanuit zee echter niet meer aangevoerd (via de stormvloedkering bereiken slechts weinig zand en slib de Oosterschelde). De opvulling van de geulen gaat dan ook ten koste van zandplaten en kwelders, die sinds de jaren 1980 eroderen.
Door deze 'zandhonger' neemt tot vandaag het areaal aan platen en kwelders in het gebied af, inclusief het leefgebied van schelpdieren en wormen, die het voedsel vormen voor wadvogels. Steeds meer van de belangrijke getijdennatuur gaat zodoende verloren: de Oosterschelde verandert geleidelijk van een estuarien systeem met geulen, slikken en schorren in een ondiepe, beschut gelegen baai. Het zal lastig zijn om in het gehele gebied de huidige afwisseling aan ecosystemen te behouden. Wel kunnen in deelgebieden (technische) oplossingen worden bedacht om de getijdenplaten te beschermen of te verhogen en zo de belangrijkste natuurwaarden van de Oosterschelde veilig te stellen. Het verhogen van de getijdeninvloed kan een bijdrage leveren, doordat het de zandhonger vermindert.
De Onderwaterwereld van de Oosterschelde
De huidige Oosterschelde bestaat uit een complex geheel van kreken, onder water staande zandbanken, droogvallende slikken en platen en hoger gelegen schorren. De veranderingen in het onderwatersysteem de laatste twintig jaar hangen samen met feit dat water tegenwoordig veel helderder is dan in het voormalige estuarium. De laatste tien jaar neemt de troebelheid trouwens weer toe, door nog onbekende oorzaak.
Opvallend is dat veel nieuw verschenen soorten bekend zijn van diepere watersystemen van de Noordzee en Atlantische Oceaan. Dit kan voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan het toegenomen en min of meer stabiel geworden zoutgehalte. Vooral in het westelijke deel van de Oosterschelde komen zeevissen voor als Zeebaars en Kabeljauw. Het systeem is sinds de afsluiting nog niet in evenwicht, zoals blijkt uit het af en toe optreden en massale uitbreiding van een enkele soort. Zo kende het gebied in 2002 een explosie van de Zwartooglipvis, een soort die vroeger in Nederland zeldzaam was.
Ook hebben diverse exoten (ten gevolge van aanvoer door de mens) een plekje in het gebied weten in te nemen. Een beruchte exoot is de Japanse oester (Crassostrea gigas), die inmiddels vrijwel alle Nederlandse kustwateren heeft veroverd en ook in de Oosterschelde een bedreiging vormt voor andere schelpdieren.
Op de stenen dijken langs de Oosterschelde wordt een ge- heel eigen ecosysteem aangetroffen. Hier leven soorten die in Bretagne en Zuid-Engeland op rotskusten worden aangetroffen. Het gaat dan bijvoorbeeld om korstmossen, wieren, zeepokken, sponzen, zeeanemonen en kreeften. Een fraaie gradiënt is aanwezig van soorten die boven de gemiddeld hoogwaterlijn leven en aangepast zijn aan het bij tijd en wijle droogvallen, tot soorten die alleen onder de laagwaterlijn worden aangetroffen. Waar sterke stroming optreedt, zorgt de aanvoer van plankton voor een rijk onderwaterleven.
Hier wordt bijvoorbeeld de Dodemansduim (Alcyonium digitatum) orkomende vertegenwoordiger van de zachte koralen, sterk verwant aan de in de tropen levende koralen. Waar minder stroming optreedt, wordt zand afgezet, en op dergelijke (zachte) bodems leven onder andere platvissen en kokerwormen. De beschutte baai fungeert in bepaalde perioden van het jaar als kraamkamer voor bepaalde soorten.
Bij een watertemperatuur van 10 graden komt bijvoorbeeld de Snotolf hierheen om haar eieren af te zetten, bij 12 graden volgt de Zeekat (Sepia officinalis) om te paren en eieren te leggen. Van soorten die elders in iets warmere streken leven, kan trouwens vrijwel de hele populatie na een extreem strenge winter het loodje leggen. Af en toe worden Bruinvis of Gewone zeehond in de Oosterschelde gesignaleerd die door de open waterkering kunnen zwemmen. Voor deze zeezoogdieren, die op zicht jagen, is het gunstig dat het water helderder en minder vervuild is dan vroeger. De populatie zeehonden is uitgegroeid tot enkele tientallen, waarbij sinds 1995 ook weer jongen in de Oosterschelde worden geboren.
De droogvallende slikken en platen in de Oosterschelde zijn van groot belang voor foeragerende watervogels, in het bijzonder voor steltlopers, eendachtigen en meeuwen. De ruim 11.000 ha wad vormen samen met de 8.000 ha van de Westerschelde een belangrijke stapsteen voor de langs de kust van het Europese vasteland trekkende wadvogels. Een belangrijk gevolg van de aanleg van de Oosterscheldedam is de afname van de stroomsnelheid, waardoor de wadplaten langzaam in de geulen verdwijnen.
Naar schatting is al 10 % van de platen op deze wijze teloorgegaan. Op termijn is de verwachting dat de platen zelfs geheel verdwijnen. Dit zal leiden tot een sterke afname van de op het wad aangewezen steltlopers. De talrijkste vertegenwoordigers uit deze groep zijn momenteel Scholekster, Zilverplevier, Kanoet, Bonte strandloper, Rosse grutto en Wulp. Ook Bergeend en Slobeend zijn algemene bodemdiereters in de Oosterschelde.
Plantenetende watervogels die vaak in grote aantallen in het Oosterscheldebekken verblijven, zijn ganzen (Grauwe gans, Brandgans, Rotgans) en eenden (Smient, Wintertaling, Wilde eend, Pijlstaart). Hun aantallen zijn recent toegenomen, een weerspiegeling van de landelijke ontwikkelingen. Ook voor een aantal visetende watervogels is het gebied van groot belang, onder meer voor Fuut, Kleine zilverreiger, Lepelaar en Middelste zaagbek.
Kustbroedvogels als Kluut, Bontbekplevier, Visdief en Dwergstern profiteren van natuurontwikkelingwerken, waarbij telkens weer kale, zandige terreinen beschikbaar komen om te broeden. De Strandplevier en de Noordse stern lijken hiervan echter weinig te profiteren. De Noordse stern bereikt in de Delta de zuidelijke grens van zijn Noordwest-Europese areaal.
De platen bevatten tevens een van de grootste groeiplaatsen van Klein en Groot zeegras (Zostera noltii en Zostera marina) in Nederland. Klein zeegras komt verspreid voor op diverse plekken in de Oosterschelde, terwijl Groot zeegras nagenoeg beperkt is tot de Zandkreek, Krabbenkreek en Roggeplaat. Beide soorten zijn sinds de aanleg van de Deltawerken achteruitgegaan (van meer dan 2.000 naar ongeveer 100 ha), als gevolg van de afname van de invloed van zoet water.
Schorren en Binnendijkse Terreinen
De oppervlakte aan schorren is door de aanleg van de Deltawerken teruggelopen van oorspronkelijk zo'n 1.725 ha tot minder dan 600 ha. De grootste resterende schorgebieden liggen in het oosten van de Oosterschelde, zoals bij de Anna Jacobapolder, bij St. Annaland (Krabbenkreek) en bij Rilland (Rattekaai). De zilte graslanden van het schor behoren tot habitattype 1330. Door het gereduceerd getij is deze vegetatie sterk veranderd.
De schorren worden minder vaak overstroomd dan voorheen, waardoor bodemrijping is opgetreden. Hierdoor hebben soorten van oeverwallen zich in de lager gelegen kommen weten te vestigen, zoals Gewone zoutmelde (Atriplex portulacoides) en Strandkweek (Elytrigia atherica). Hogere delen van het schor zijn enigszins verzoet. De schorren bij Krabbendijke vormden de laatste Nederlandse groeiplaats van Klein slijkgras (Spartina maritima), een plantensoort die bij ons in de 20ste eeuw vrijwel volledig is verdrongen door de exoot Engels slijkgras (Spartina anglica). Het is niet met zekerheid bekend of Klein slijkgras hier nog steeds groeit.
Slijkgrasvelden (H1320) komen ook elders in het gebied over grote oppervlakte voor in kommen en op het slik. Langs de randen van de Oosterschelde liggen vele kleine en grotere ingedijkte terreinen, die vaak hoge natuurwaarden hebben. Het betreft enerzijds inlagen, terreindelen die ontstonden doordat achter een zwakke zeewering een nieuwe dijk werd aangelegd, en anderzijds karrevelden, voor kleiwinning afgegraven terreindelen in een inlaag of gewoon achter de zeedijk. De laatste zijn genoemd naar de karren waarmee de klei werd afgevoerd.
Een deel van deze binnendijkse terreinen krijgt zout kwelwater vanuit de Oosterschelde. Andere delen staan onder invloed van regenwater en zijn zoet. De meeste inlagen hebben een eigen waterhuishouding, waarin natuurlijke fluctuaties in zomer- en winterpeil optreden. Sommige delen zijn zandig, andere kleiig, sommige hoog en droog, andere diep en nat, en er zijn allerlei gradiënten aanwezig.
De zoute inlagen en karrevelden zijn van belang voor de eerder genoemde zilte graslanden (H1330), die hier voorkomen in een binnendijkse vorm. Van echte schorren is geen sprake, omdat de kenmerkende overstroming en daarbij behorende kreken, oeverwallen en kommen ontbreken. Zeealsem (Artemisia maritima) en Gewone zoutmelde bijvoorbeeld worden niet of nauwelijks aangetroffen. De soortensamenstelling van deze binnendijkse systemen is echter toch heel divers en feitelijk gevarieerder dan bij de buitendijkse schorren.
Zo wordt op enkele plaatsen het zeldzame Blauw kweldergras (Puccinellia fasciculata) aangetroffen en bevindt zich een van de weinige voorbeelden van een goed ontwikkelde Zeegerstassociatie (Parapholido strigosae-Hordeetum marini) van ons land in een inlaag langs de Oosterschelde. Ook zilte pionierbegroeiingen (H1310) zijn in de binnendijkse terreinen bijzonder goed vertegenwoordigd. Dit betreft zowel Zeekraalvegetatie als Zeevetmuurbegroeiingen.
De zoete inlagen met riet hebben hun eigen natuurwaarden. In een enkele inlaag van de zogenaamde Generaalskraag van Noord-Beveland treedt veenvorming op, waarbij veenmosrietland ontstaat (H7140). Kenmerkend voor dit habitattype zijn veenmossen (Sphagnum) en varens als Moerasvaren (Thelypteris palustris) en Kamvaren (Dryopteris cristata). In het westelijke deel van de Oosterschelde maken zoete inlagen deel uit van het verspreidingsgebied van de Noordse woelmuis.
Ter compensatie van het enorme verlies aan schorren, slikken en platen door de uitvoering van de Deltawerken wordt sinds 1991 gewerkt aan de planvorming en realisatie van het Plan Tureluur. Dit omvangrijke project, dat is gericht op de ontwikkeling van brakwatermoeras van internationale betekenis aan de boorden van de Oosterschelde en aan de zuidkust van Schouwen, is inmiddels halverwege zijn uitvoering en de eerste resultaten zijn bijzonder hoopgevend. Binnendijks is al 400 ha kustnatuur gerealiseerd en nog eens 450 ha zullen volgen.
De sterke zoute kwel die langs de zuidkust van Schouwen optreedt, is daarbij van grote betekenis voor het permanent optreden van pioniervegetatie en daaraan gerelateerde soorten. In het Prunjegebied bijvoorbeeld (aan de zuidkust van Schouwen) zijn de aantallen van onder meer Kluut, Visdief, Strandplevier en Bontbekplevier spectaculair toegenomen. Ook voor allerlei vogelsoorten die in de binnendijkse gebieden overtijen of foerageren, is de natuurontwikkeling gunstig.
Zoutplanten: Specialisten in een Zoute Omgeving
Planten die op schorren, slikken, zeedijken en inlagen groeien worden ook wel ‘zoutplanten’ genoemd. Niet omdat ze van zout houden, maar omdat ze er beter tegen kunnen dan andere planten. De een nog beter dan de ander. Iedere ‘zoutplant’ heeft zijn eigen plekje. De omstandigheden moeten precies goed zijn. Door het achtergebleven zout in de bodem groeien ze langzaam. Veel soorten, waaronder lamsoor, bloeien massaal in de nazomer.
Sommige zoutplanten worden door mensen gegeten. Zeekraal en zeeaster zijn voor sommige mensen een delicatesse. Ze worden verzameld en gekweekt als groente. Wil je zelf zeegroenten oogsten? Zeekraal en lamsoor mag je alleen snijden met een vergunning. Toch wieren proeven? Ga dan mee op een excursie.
De meeste planten proberen zo min mogelijk zout water op te nemen, en het zoete (regen)water vast te houden. Daar hebben ze allerlei trucjes voor. Het ene plantje heeft vettige blaadjes, de ander juist extra dikke. De een heeft fijnverdeelde blaadjes, de ander naaldachtige. Zo proberen ze dat kleine beetje zoet water zo lang mogelijk vast te houden. Planten als lamsoor en Engels slijkgras ‘spugen’ het overtollige zout gewoon uit! Je ziet dan zoutkristallen op het blad.
De Verdeling van Zoet en Zout Grondwater in Zeeland
Zoet water is schaars in Zeeland. Dat komt omdat onze provincie omringd is door zout zeewater en het water in de ondergrond ook voornamelijk zout is. Het water in Zeeland is bijna overal te zout om gewassen mee te beregenen. Er zijn weinig natuurlijke bronnen waardoor de beschikbaarheid van zoet water onder druk staat.
Vanuit de lucht worden er metingen gedaan naar de verdeling van zoet en zout grondwater in Zeeland. De verdeling van zoet en zout grondwater wordt voor een deel van Zeeland opnieuw in kaart gebracht. In 2014 en 2015 werden soortgelijke metingen uitgevoerd door een helikopter met een meetinstrument in de vorm van een sigaar. Bij de metingen in Zeeland staan er zo’n 3.000 vliegkilometers op de planning.
De meetdata worden bewerkt tot een 3D-kaart van de zoet-zoutverdeling van het grondwater. Het project FRESHEM staat voor FREsh Salt groundwater distribution by Helicopter ElectroMagnetic survey. In het project wordt de elektrische weerstand van de ondergrond gemeten met een meetinstrument dat onder een helikopter hangt. In Zeeland werd FRESHEM eerder toegepast. De resultaten gaven aanleiding om het onderzoek in heel Nederland toe te passen.
FRESHEM-NL levert belangrijke informatie over aanwezige zoetwaterbellen. In het project werken zeven provincies, zeven waterschappen, vijf drinkwaterbedrijven en twee kennisinstituten met elkaar samen. De totale kosten bedragen ongeveer zeven miljoen euro, waarvan de helft wordt gefinancierd uit het nationale Deltafonds.
In perioden dat de zee de dienst uitmaakte in Zeeland, is de ondergrond verzadigd met zout water. Als de zee op afstand bleef, trad er infiltratie op van zoet regenwater. Daarmee ontstonden plaatselijk zoetwaterbellen in een verder zoute omgeving. Ook nu is dat nog zo. Die infiltratie wordt bepaald door de hoogteligging van een gebied en zijn lithologie. In de zandige kreekruggen die her en der in Zeeland voorkomen vindt men aanzienlijke volumes zoet water.
Water beweegt veel minder snel door klei heen, zodat kleilagen vaak de begrenzingen vormen van zoetwaterbellen. Omdat veel land in Zeeland zo ongeveer op zeeniveau ligt, wisselen kwel- en infiltratie elkaar af. Daar komt de gevarieerde ondergrond bij, waardoor Zeeland al met al een grillig zoet-zoutpatroon kent.
In Zeeland zijn boeren voor hun watervoorziening vooral aangewezen op regenwater. Overtollig regenwater wordt tot nu toe echter doorgaans snel afgevoerd naar zee. Bij een toenemende vraag naar zoet water is het slimmer om dit zoete water in de ondergrond op te slaan en het eruit te halen als het nodig is. Door met behulp van een kaart inzichtelijk te maken waar zoet water zich bevindt of waar dit het beste kan worden opgeslagen, kunnen boeren bewuste keuzes maken in gewassen en wateropslag.
Zeeuwsche Zoute: Puur Natuur uit de Oosterschelde
Ons zeezout wordt gewonnen uit het heldere water van de Oosterschelde en bevat van nature een rijk palet aan mineralen. In tegenstelling tot geraffineerd tafelzout wordt ons zout niet kunstmatig bewerkt of gejodeerd. Spoorelementen zoals strontium, koper, zink, boor, silicium, broom, jodium en ijzer zijn in kleine hoeveelheden aanwezig en maken deel uit van het natuurlijke zoutprofiel. De waarden van zware metalen zoals lood, kwik en arseen liggen onder de detectielimiet.
Dat betekent dat ze in ons zout nauwelijks of niet aanwezig zijn. Wij voegen niets toe aan ons zout. Geen antiklontermiddelen, geen conserveringsmiddelen, geen kunstmatige jodiumverrijking. Zeeuwsche Zoute is trots het eerste Nederlandse product te zijn met het internationale GeoFood-label.
Het Veerse Meer: Een Brakwater Ecosysteem
Het Veerse Meer is een kunstmatig meer. Het werd aangelegd in 1960/1961, toen er nog van uit werd gegaan dat de Oosterschelde een (zoet) meer zou worden zonder getij. Het Veerse Meer is zelden zouter geweest dan 10 g Cl-/l. en de bovengrens van de brakwater ligt op 10 g Cl-/l. In het meer werd een tegennatuurlijk waterpeil gehandhaafd: in de zomer hoger dan in de winter.
Het lage winterpeil werd gekozen om water uit de omliggende polders te kunnen lozen (uitslaan) op het meer. Naast de functie ‘ontvangend oppervlaktewater’ zijn de volgende functies aan het meer toegekend: landbouw, natuur, recreatie, scheepvaart en wonen. In de jaren na het ontstaan van het Veerse Meer is het hele gebied zodanig ingericht en beheerd dat de verschillende functies allemaal zo goed mogelijk tot hun recht kwamen. De functies gingen over het algemeen in goede harmonie samen.
Dat komt deels door de scheiding die de seizoenen teweegbrengen. “In de zomer is het meer voor de recreanten, in de winter voor de vogels”. De waterkwaliteit, met name de geur en het doorzicht, was echter slecht en dat had een negatieve invloed op de belevingswaarde van gebruikers en recreanten. Door de hoge belasting van nutriënten die met het polderwater in het meer kwamen, ontstond in het meer vaak een overmatige groei van algen. Zeesla werd daarbij als hinderlijk ervaren.
Vooral als het waterpeil voor de winterperiode was verlaagd, zorgden grote massa’s afgestorven, rottende zeesla voor stankhinder. Om de negatieve processen voor de waterkwaliteit en ecologie tegen te gaan, is in 2004 een doorlaatmiddel in gebruik genomen waardoor betere wateruitwisseling tussen de Oosterschelde en het Veerse Meer mogelijk werd.
Dit doorlaatmiddel in de Zandkreekdam, in de vorm van twee openingen van 5,5 bij 3 meter en 82 meter lang, kwam op de plaats van de twee laatste caissons in de Zandkreekdam die in 1960 voor de afsluiting van de Zandkreek hadden gezorgd. Het doorlaatmiddel maakt een wateruitwisseling van gemiddeld 40 m3/sec mogelijk. Het doorlaatmiddel heet de ‘Katse Heule’ en is vernoemd naar het nabijgelegen dorp Kats en het woord ‘Heule’ dat Zeeuws is voor waterdoorlaat.
De inbreng van Oosterscheldewater heeft het zoutgehalte laten stijgen en het zuurstofgehalte in diepere delen van het meer gedurende de zomer verhoogd. Het doorlaatmiddel in de Zandkreekdam is de waterkwaliteit van het Veerse Meer ten goede gekomen en het aantal mariene soorten is weer toegenomen door het verhoogde en meer stabiele zoutgehalte (14-16 g Cl-/l) Hoewel de waterkwaliteit is verbeterd en de biodiversiteit toeneemt, blijft het de vraag of dit herstel volledig zal doorzetten. Zeegras komt niet meer voor en het is onzeker welke vestigingscondities ontbreken.
Overzicht van Projecten en Onderzoeken
Hieronder een overzicht van enkele projecten en onderzoeken met betrekking tot het Veerse Meer.
- Systeemanalyse en werkplan waterkwaliteitsmodel Veerse Meer (Prins et al.)
- Klimaatrobuustheid van het waterbeheer van het Veerse Meer (Maarse et al.)
Een samenvatting van het informatiesysteem Veerse Meer vindt u in de zogenaamde Guided Tour.
Kaarten en Meetdata
Wilt u snel een beeld van de zoet-zoutverdeling op een bepaalde plaats? Dan kunt u gebruik maken van de beschikbare kaarten via een viewer. Wanneer u over geavanceerde bewerkingsprogramma's beschikt kunt u ook aan de slag met de meetdata. De open databestanden kunt u hieronder downloaden.
De Zeeuwse zoet-zoutkartering is uitgevoerd in opdracht van Provincie Zeeland, met financiële steun van: Deltafonds, Evides, Rijkswaterstaat Zee & Delta, Vereniging Zeeuwse Gemeenten, Vlaams Nederlandse Scheldecommissie, Waterschap Scheldestromen en de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie.
labels:
Zie ook:
- Ontdek Verrukkelijke Oosterschelde Kreeft Recepten voor een Onvergetelijke Culinaire Ervaring!
- Oosterschelde Kreeft Koken: Ontdek Het Geheim Van Deze Zeeuwse Delicatesse!
- Hennep Koken met Zout: Tips & Recepten voor Thuis
- Ontdek Waarom Kippen Chocolade Eten Echt Gevaarlijk Is Voor Hun Gezondheid!
- Ontdek de Lekkerste en Makkelijkste Bladerdeeg Recepten die Iedereen Kan Maken!




