De provincie Zeeland zet zich in voor het behoud en de promotie van haar rijke erfgoed door middel van negen ‘Erfgoedlijnen’. Dit project, uitgevoerd door Erfgoed Zeeland, bouwt voort op eerdere initiatieven, zoals dat van Drenthe met zes thema’s. Voor het imago en de marketing van Zeeland wordt het erfgoed steeds belangrijker.
Zeeland is immers een provincie met een geschiedenis waarin land en water voortdurend op elkaar inspelen. Dat resulteerde in een rijke cultuurhistorie, een gevarieerd landschap, duizenden monumenten. In de externe beeldvorming weerspiegelen zich deze vele facetten. Enerzijds zien velen Zeeland als een pittoresk gewest met strand en duin, dromerige dorpjes en aardige boerenfolklore zoals het befaamde ringrijden.
‘Het erfgoed in de provincie biedt talloze handvatten om gasten en inwoners een unieke en waardevolle beleving te bezorgen. De Zeeuwse Erfgoedlijnen worden ontwikkeld in opdracht van de Provincie Zeeland. Basis vormen de negen kernverhalen of Erfgoedlijnen, die breed zullen worden ingezet. Deze wordt beheerd door Erfgoed Zeeland, maar er dragen veel partners aan bij. De kernverhalen moeten fungeren als een soort koepel of kapstok.
De Ontwikkeling van de Erfgoedlijnen
Voorafgaand aan de vaststelling van de Erfgoedlijnen en hun thema’s waren er twee series ‘brede oplopen’ verspreid over de provincie. In november 2018 kwamen ruim 200 toeristische ondernemers, mensen uit het (toeristische) erfgoedveld en beleidsmakers bij elkaar tijdens deze startbijeenkomsten en de Toeristische Ontmoetingsdag. Erfgoed Zeeland werkte hier samen met de VVV Zeeland. Het leverde volle zalen en nuttige gedachtewisselingen op. Bij het aanwezige publiek werd gepeild wat er precies ‘leeft’ als we het over het Zeeuwse erfgoed hebben. Dat gebeurde met een interactieve digitale methode (mentimeter) en via antwoordformulieren. Gewapend met de kennis die dat alles opleverde, volgde in april 2019 een tweede ronde. Hieraan namen zo’n 130 toeristische ondernemers, vertegenwoordigers van erfgoedinstellingen en beleidsmakers deel.
Uit de antwoorden op de vraag naar ieders Top 5 bleek dat de waardering van de verschillende lijnen dichtbij elkaar ligt. Eerder was uitgegaan van zes of zeven Erfgoedlijnen. Om de veelzijdigheid van Zeeland goed uit de verf te laten komen, is daarvan afgezien. Dan zouden te veel elementen onder één noemer geschaard worden, waardoor het onderscheidende karakter verloren ging. De lijnen 1 (Schorren, slikken en polders) en 2 (Strijd tegen het water) werden als combinatie het vaakst genoemd.
De Erfgoedlijnen worden met alle betrokkenen fasegewijs uitgewerkt om tot producten te komen. Het eerst aan de beurt zijn de meest ‘kansrijke’ erfgoedlijnen Strijd tegen het water, Sterk Zeeland en Zilt en zoet. Na deze zomer starten de gesprekken over de andere erfgoedlijnen. Los daarvan verschijnt na de zomer een boekje met alle Erfgoedlijnen, op basis van conceptverhalen van Jeanine Dekker en Jan Kuipers, medewerkers van Zeeuws Erfgoed en beiden met een lange staat van dienst als (erfgoed)auteurs.
Een belangrijk element is de inventarisatie van wat er nu al aan arrangementen, routes en producten ligt die ingepast kunnen worden in de Erfgoedlijnen. Per verhaallijn wordt een ‘menukaart’ gemaakt met het aanbod dat er nu al is. Maar er wordt ook al nagedacht over nieuwe producten. Voorbeeld is een Zeeuwse erfgoedatlas, die verrassende verbanden tussen locaties, thema’s en producten aan het licht zal brengen. En een mobiele ‘erfgoedkeuken’ met pakkende vormgeving, die op allerlei evenementen zal worden ingezet. ‘Erfgoed is niet alleen iets van vroeger. Het is ook niet saai.
Zilt en Zoet Water: De Basis van het Schelde-estuarium
In het Schelde-estuarium ontmoeten zee en rivier elkaar. Door het samenspel van het getij, de natuur en de mensen die er leven, is het gebied al vele duizenden jaren voortdurend in beweging. Het unieke en veelzijdige gebied, dat behalve heel Zeeland ook een deel van West-Brabant en de Belgische provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen omvat, herbergt talloze plekken die in geologisch of cultuurhistorisch opzicht van belang zijn. Achter die plekken gaan vele verhalen schuil over het landschap en de rijke cultuurhistorie.
Het Schelde-estuarium is een landschap vol contrasten. Het werd gevormd in een samenspel van bodem, wind, water en getij. Enkele duizenden jaren geleden begon ook de mens er zijn stempel op te drukken. Strijden of meebewegen: de omgang met het water vereiste door de eeuwen heen een grote daadkracht en ondernemingszin. Tegelijkertijd waren de bewoners van het Schelde-estuarium zelf mede de oorzaak van rampen. De bewoners van het gebied verwierven zich een bestaan op de vruchtbare klei- en de armere zandgronden. Zelfs de meest marginale gronden zette de mens zoveel mogelijk naar zijn hand.
Het Schelde-estuarium is een gebied van verbindingen. De water- en landwegen vormden de levensaders van het gebied. Langs dit fijn vertakte stelsel werd handel gedreven en bereikten migranten deze contreien. De strategische ligging van het Schelde-estuarium heeft zijn sporen nagelaten. Het gebied werd menigmaal zwaar bevochten. Voor de verdediging ervan werd gebruikgemaakt van de mogelijkheden die bodem en landschap boden.
De culinaire geschiedenis van het Scheldegebied is nauw verweven met de bodem en natuur. Het gevarieerde estuariumlandschap levert uiteenlopende ingrediënten op voor talloze (streek)gerechten. Grond die op het water gewonnen is, brengt unieke producten voort.
Retranchement: Een Grensdorp met een Rijke Historie
Retranchement is een knus dorpje op de grens van België met een rijke geschiedenis. Wandel over de vestingwallen, maak een fietstocht naar natuurgebied het Zwin of ontspan op het strand. De ligging van Retranchement in Zeeland is ideaal voor een weekend weg of langere vakantie.
- Knus kustdorp op de grens
- Historische vestingwallen
- Uitstekende restaurants
Het Dagelijks Leven in Cadzand (1930-1940)
De zelfstandige gemeente Cadzand had in de periode 1930-1940 altijd een inwonertal van onder de duizend, zo tussen 960- 980 zielen, Dus de gehele gemeente; de dorpskom, de polders en de kust. Tot 1936 was Izak Erasmus de burgemeester. Hij was boer en een telg van een rijke boerenfamilie, die al meerdere burgemeesters had geleverd. Hij werd opgevolgd door Cees le Nobel uit Kampen. Die bleef burgemeester tot 1946. Daan van Houte was de gemeentesecretaris.
De gemeenteraad bestond uit de wethouders I. de Bruyne en P. van Iwaarden, en de raadsleden I. M. de Bruyne, A. de Hullu, P. Vasseur en J. De veldwachter, tevens gemeentebode was tot in de oorlog H. van der Lijke. De gemeentewerkman was Daan Faas en de commandant van de vrijwillige brandweer Adriaan van Dale. Het hoofd van de openbare lagere school was C. Neeteson en vanaf 1935 L. Bareman. Sluiswachter en schipper van de reddingboot was Cees van den Heuvel.
Cadzand had zijn eigen klederdracht, die werd in het heel West Zeeuws-Vlaanderen gedragen. In de periode die ik hier beschrijf (1930-1940), liepen er nog veel oudere vrouwen in klederdracht. De mannen zijn er eerder mee gestopt. De vrouwen droegen, wanneer ze uitgingen, een witte muts met daaronder een ondermuts. Wanneer ze thuis aan het werk waren, liepen ze vaak alleen met die ondermuts op, of hadden ze een gehaakt mutsje. Die witte muts bracht veel werk mee als hij gewassen moest worden. Hij werd gesteven in suikerwater en met speciale ijzers gestreken die op de kachel gewarmd werden. Er kwam dan een speciaal draadwerk door de karkasse. Voor dat werk was er meestal op een dorp wel iemand die daar in gespecialiseerd was en dat tegen een kleine vergoeding deed.
Cadzand heeft ook een eigen dialect. Retranchement, Zuidzande en grotendeels Oostburg en Schoondijke. Sluis is iets anders en ook als je de kanten van IJzendijke en Hooftplaat opgaat. Dit heeft ook met het geloof te maken. Dat kan je ook aan veel familienamen zien. Ze worden hetzelfde uitgesproken maar anders geschreven, bv. Katholieken waren er maar 3 of 4 gezinnen, enkele Gereformeerden en een kleine groep Vrij Evangelische mensen. De rest was vrijwel allen Ned. Hervormd. De dominee van de Ned. Hervormde kerk was toen dominee Visser. De Katholieke kinderen gingen in Groede naar de Katholieke school. De Gereformeerde kinderen gingen in Oostburg op de 'School met de Bijbel'. De Vrij Evangelische kinderen gingen naar de openbare school.
Toen was die scheiding tussen het geloof nog heel sterk. Je moest er moed voor hebben om thuis te zeggen dat je een Roomse meid had, of omgekeerd, een Katholiek meisje of jongen had zeker net zoveel moeilijkheden. Trouwens dat gold ook wel voor Gereformeerd en Ned. Hervormd. De mensen gingen toen nog meer ter kerke. De boeren waren zeker meestal nogal kerks en als arbeider moest je met een meestal toen groot gezin je niet te veel afzetten anders kreeg je moeilijk werk. Er waren maar een paar Roomse gezinnen. De boeren en de gegoede burgerij hadden in de kerk een eigen plaats en in de winter zorgde de koster voor diegenen die daarvoor betaalden voor een warme stoof voor de voeten. In de kerk was toen betrekkelijk een slechte verwarming. De gewone kerkgangers (lees arbeiders) konden de koster niet betalen, dus moesten ze zelf een warme stoof meebrengen.
Een warme stoof betekende een briket, slof werden ze ook wel genoemd, die werd in kachel of haard gloeiend gemaakt en dan duurde het wel een paar uur voor hij helemaal uitgebrand was. Hij werd dan in een stooftest gedaan en die werd in de stoof gedaan waar aan de bovenkant gaten in zaten en zo werden je voeten verwarmd. Dit gaat over de Ned. Hervormde Kerk waar de meesten lid van waren. Voor de kinderen was er zondagsmiddags kinderkerk en op de openbare school werd ook godsdienstles gegeven door de dominee, een uur in de week.
In Cadzand was er dan ook nog de Vrije Evangelische gemeente met een lokaal en die gaf zondagsmorgens zondagschool en daar gingen ook heel veel hervormde kinderen op. De landarbeiders waren toen haast allen in de Landarbeiders Bond, aangesloten bij het NVV, een paar bij de Christelijke Bond. Een afdeling van de Bouwbond was er niet. Die Landarbeiders Bond was toen hard nodig, omdat de toestand en de armoede door de vele werkloosheid schrijnend was. De contributie was 25 cent, een uurloon van een landarbeider. De Bond zorgde voor een kleine uitkering en zorgde bijvoorbeeld voor goedkopere kolen in de winter. De burgers lazen meest de Middelburgsche Courant.
Tijdens de crisisjaren werd er ook wel eens via de gemeente blikken Argentijns vlees (vlees ingeblikt) verstrekt aan de werklozen. Ook was er een Kolenbond. Daar waren veel arbeiders lid van. Er werd dan door de Bond een partij steenkolen aangekocht, die dan natuurlijk goedkoper was, omdat het een hele wagon tegelijk was. Dat voordeel werd dan weer toebedeeld aan de leden van de Kolenbond.
De schepen vervoerden toen nog stukgoed in de ruimen, tegenwoordig wordt alles in containers gedaan en wanneer een container in zee komt, zinkt hij meestal direct naar de bodem. Toen zat het stukgoed nog in de ruimen. Vroeger hadden de schepen ook een deklast en die werd, als het schip het kwaad kreeg, eerst over boord gezet. Vooral met hout kwam dat regelmatig voor. Dus de meeste kustmensen gingen iedere morgen op het strand kijken en zeker met een harde zeewind. Als het hard stormde stonden ze 's nachts op. Er was toen de ongeschreven wet dat, wanneer iets opgeraapt was en buiten het bereik van het water was gelegd, het dan was gevonden door een ander en haalde niemand het in zijn hoofd het mee te nemen.
In die tijd liep de tijd van het mussengilde op zijn eind. Toen waren er zoveel mussen dat het als een plaag werd gezien. Je kon toen de mussen tegen betaling inleveren bij het mussengilde, tegen een cent voor een mus en een halve cent voor een ei. Met textiel kwamen langs de deur, Piet van der Plasse uit Oostburg, Adri Quaak uit Schoondijke en Fred de Witte uit Breskens. Van der Plasse en Quaak hadden al een auto, maar Fred de Witte kwam met de pak, dat wilde zeggen dat hij wel 4 of 5 koffers en pakken op zijn fiets vervoerde. Hij reed zomer en winter met de fiets door weer en wind, volgeladen met koffers en grote pakken. Hij moest dan dikwijls voor een onderbroek alles afladen en uitpakken en weer inpakken en een eindje verder bij de buren weer het zelfde. En het was maar een tenger iemand.
Ook kwamen kastjesventers aan de deur, die droegen op hun rug een kast met laatjes en vakjes. Die verkochten alle naaigerei, zoals knopen, haken en ogen voor de broeken, elastiek voor de onderbroeken, veiligheidsspelden en al wat je maar kunt bedenken dat de vrouwen toen nodig hadden. Geregeld kwam de scharenslijper langs de deur. Die sleep dan op een speciaal geconstrueerde handkar de scharen en messen.
Dat was een meneer C. Adriaan Verduin had naast zijn rijwiel handel nog een dorsbedrijf. Wanneer de oogst binnen was werd die in de winter gedorst door de dorsmachine (foto). Soms ook al op het land, het stro werd geperst in grote pakken stro. De slagers waren Ko de le Lijs en Piet de le Lijs. De metselaars waren Adriaan van Dale, Jan van Luik, Piet Mabelis en Bram Dierings, die er ook een betonfabriekje had.
Kleine boodschappen- en snoepwinkels waren er genoeg; op de Ringdijk-Zuid Martijn Robijn en Sanne Verhage, aan de Mariaweg Ko de Mey en Piet Vasseur, op de Ringdijk-Noord Willem Verhage, in de Erasmusweg Bram Basting, in de Prinsestraat Wannes Faas, Ko Fremouw, Mina Vermeulen en Wed. Toussaint. Petroleum werd verkocht door Kees Riemens en door Jan Clincke uit Sluis. Hij kwam met paard en wagen van de E.S.S.O. en verkocht ook het krantje De Automaat met de strip Pijpje Drop. Petroleum werd in de zomer veel gebruikt om op te koken (petrolie-stel) en in de winter voor de kachel en de lamp.
Jas van Dale was electricien en verkocht radio's en andere apparaten. Huibrecht Toussaint, Dries de Nijs en Jacob Dathijn waren de schilders in het dorp. De wagenmakers waren Mathijs van Dale en Piet en Bram Ruiser (oom en neef). Schoen- en gareelmakers waren Jacob Vastenhout en Izaak Kommers en later ook nog De Haan. Piet van Luik had een transportbedrijf. Hij had ook een handel in stro, bietenkoppen en aardappelen in de Badhuisweg.
Jan Vasseur (Jantje Bom) heeft rond 1936 nog een oude vrachtauto gehad, maar die was zo oud, dat de buren hem dikwijls moesten helpen duwen. Hij is er gauw mee gestopt. Zijn vrachtwagen kon geladen de april (hoogte) niet op. Adriaan de Roo reed met paard en wagen twee keer per week naar Breskens. Hij was ook kolenboer.
M. De ambachtslieden rekenden eenmaal per jaar af. Direct na Nieuwjaar zaten ze een hele dag thuis en kwamen de boeren afrekenen. Dat waren een paar drukke dagen voor de smid, de timmerman, de wagenmaker, de schilder en de metselaar. Met dat geld moesten die dan weer een heel jaar leven. Ook hun leveranciers hielden daar rekening mee. Wannes Faas, Jacob Buick en Bram van Akker stonden met paarden op het strand, waar de eerste badgasten tegen betaling op konden rijden.
Ko Fremouw had een superhoge fiets laten construeren waarmee je voor tien cent heen en weer van paalhoofd tot paalhoofd mocht rijden. Maar dat kon alleen bij laagwater, wanneer er hard strand was. Alle winkeltjes werden bevoorraad door grossiers, het meest uit Breskens, bv Marien de Winde en Jacobs. De firma Catsman kwam uit Aardenburg. Oggel uit Axel had een koffiebranderij, dus die kwamen met koffie rond. Veel mensen uit deze streek dronken toen Oggels koffie. Ook Verplanke uit Oostburg grossierde.
Dat het meeste uit Breskens kwam had een oorzaak, haast alles werd aangevoerd met de beurtschipper die regelmatig een beurtdienst op Rotterdam had. En in ieder dorp was dan weer een voerman-bode die tweemaal in de week naar Breskens reed met een speciale sleperswagen (camion). Verduin had ook een garagebedrijf, waar de weinige auto’s die er waren ook eerste hulp konden krijgen bij pech. Ook had hij een taxiverhuur en een dorsbedrijf voor het dorsen van de oogst. De andere taxiverhuurders waren Antoon Kommers en Wannis Potter. Anton Kommers kocht 1938 een gloednieuwe auto.
Wantje Neufeglise, Vina van Peenen, en Charel van Houte hadden elk een winkel waar ze knopen, garen, band, sajet, katoen en wol verkochten. Charel van Houte verkocht ook klompen, balatum voor de vloer en gordijnrails. Tevens was hij de verkoper van touwwerk voor de boeren, dat wil zeggen touw voor de zelfbinder voor de oogst en touwwerk voor het vee. De weduwe Toussaint verkocht in haar winkel rieten vloermatten, toen een groot artikel. De mensen hadden bijna allemaal rieten matten op de vloer als vloerbedekking. Het was ook een winkel van schildersartikelen, zoals verf, kwasten en behangpapier.
Piet de Wolf en Willem Robijn waren beiden smid in Cadzand. Bij hun smederij stond een travalje om de paarden te beslaan. Daar moest het paard in staan en werd dus zo van nieuwe hoefijzers voorzien. Ze hadden ook nog een winkel in huishoudelijke artikelen. Machiel Bruijnooge, het hulpje van smid Robijn, begon in 1938 een smederij in de schuur van Piet van Luik aan de Badhuisweg, maar moest in 1939 al sluiten, omdat hij met de mobilisatie in militaire dienst moest. Antje Faro maakte zelf haar mosterd. Ze had daarvoor een hele grote schotel met een grote ijzeren bal die, door met de schotel te wiebelen, rond rolde en zo de olie uit het mosterdzaad perste. Door het dan nóg een behandeling te geven was haar mosterd klaar. Ze leurde dat uit met een mand aan haar arm met daarin een vaatje met de mosterd.
Izak Kommers, die schoen- en gareelmaker was, is in de jaren dertig ook nog begonnen met consumptie-ijs te maken. Hij woonde in de Prinsestraat. Mijn vader is ook al in de dertiger jaren met ijs venten begonnen, eerst voor bakker Snoep uit Zuidzande, later voor Izaak van de Linde uit Aardenburg. Dat heeft ons gezin vastgehouden tot in de vijftiger jaren. Dan werd het in een roestvrije (dus een vertinde) bus gedaan en in een houten vat gezet. Er rond omheen werd ruw ijs gedaan, rijkelijk bestrooid met speciaal vrieszout, en dan een jute zak op het ijs. Zo begon het ijs in de bus te bevriezen en kon je er uit verkopen. Na verloop van tijd begon het ruwe ijs te smelten en dan begon ook het consumptie-ijs zachter te worden. Dan was het tijd dat het ijs uitverkocht was. Dat ruwe ijs werd toen in een fabriek in Maldeghem in België gemaakt. Dat waren staven van ongeveer een meter lang en twintig centimeter in het vierkant. Die werden met een vrachtauto gebracht. De chauffeur had een haak, trok de staven uit de vrachtauto en droeg die op zijn schouder binnen. In een hoek was een bak gemetseld en daar werden de staven onder een deken of ander isolerend spul bewaard.
De mannen schoren zich toen natuurlijk nog met kwast, zeep en mes. De Philips Shave was nog niet uitgevonden. De veiligheidsmesjes waren in opmars, maar de ouderen schoren zich nog met een groot mes. De arbeiders meestal de zaterdag, of halverwege de week nog eens. Ook waren er die ‘s zaterdagsavonds naar de barbier (scheerwinkel) gingen. Dat was bij ons Willem Brevet, die was tevens kleermaker en klokkeluider. Later Jan Brevet, die was er naast landarbeider en koster. De vrouwen droegen hun haar dikwijls lang, dikwijls in vlechten of in een knot. Er was onder de arbeidersbevolking geen geld om aan het haar te besteden. Permanent voor de vrouwen op het platteland zag men nog niet veel. Mijn moeder had prachtig lang haar dat zij in een vlecht droeg. Op een dag kwam er een man langs de deur die vlechten opkocht voor de pruikenmakerij. Mijn moeder verkocht voor een paar gulden haar vlecht. Dan had ze weer een beetje extra geld voor de huishouding.
Over armoede van toen gesproken, de kinderen en de mannen knipten hun haren meestal zelf. De kinderen liepen veel met een kuifje. De meeste mannen waren niet zo jong kaal als nu. De meisjes onder de 14 jaar oud droegen meestal een grote strik in het haar. Bijna iedereen hield toen een varken. Dat was de spaarpot, daar werd het hele jaar geld in gestopt (meel van de molenaar). Dus je begrijpt, wanneer een varken voor die tijd ziek werd en dood ging, was dat voor de eigenaar een ramp.
Om dat probleem wat te verzachten, was er een verzekeringuitkering bij het sterven van varkens, ’Helpt elkander’, opgericht te Cadzand 12 juli 1873, directeur Daan Adriaansen, secretaris-kassier M. Rossier. De contributie was toen 5 cent per varken per week. Wanneer het varken slachtrijp was (meestal in november) moest er een slachtvergunning op het gemeentehuis aangevraagd worden. Dan werd er met de slager een tijd afgesproken. Het liefst werd er zo vroeg mogelijk geslacht. Er wordt gezegd, dat het zo vroeg mogelijk moest gebeuren, omdat de slager dan nog nuchter was. De mensen hadden toen dikwijls slechte tanden en pruimden ook meestal tabak. Ik moest dan naar het café om in een karaf een paar maatjes jenever te halen. Dat was om de slager bij het slachten en het verwerken van het...
Zilt & Zout: Het Beste van Twee Werelden in Retranchement
Aan de Nederlandse-Belgische grens tussen Cadzand en Knokke ligt restaurant Zilt & Zout. Hier vindt je een menukaart die draait om verse Noordzeevis, schaal- en schelpdieren, met ook een vaste ossenhaas optie voor vleesliefhebbers. Bij mooi weer kun je op het ruime terras genieten van koffie, wijn, bier en barfood.
Zowel chef Dimitri als gastvrouw Annika hebben een ruime ervaring van zo’n 30 jaar in de Zeeuws Vlaamse horeca en volgden beiden een gedegen horeca-opleiding. Na 15 jaar restaurant De Deining in Groede was het tijd voor een nieuwe uitdaging. Op de locatie waar vroeger De Witte Koksmuts te vinden was, werd in samenwerking met de Oosterbaan Group een fantastische nieuwe locatie gecreëerd onder de naam Zilt & Zout. Bij mooi weer is het genieten op het ruime terras van een geurig kopje koffie met vers gebak, een goed glas wijn of een speciaal biertje met keuze uit diverse barfood. Heeft u iets te vieren? Informeer dan ook zeker eens naar de mogelijkheden.
Kenmerken van Zilt & Zout:
- Fenomenaal Restaurant
- Geschikt voor kinderen
- Groepen vanaf 8 pers.
- Nabij natuurgebied
| Type Gerecht | Kenmerken |
|---|---|
| Vis | Menukaart gericht op gerechten met verse vis en schaal- en schelpdieren |
| Streekproducten | Geniet van lekkere Zeeuwse producten zoals verse mosselen of zeetong |
| Omgeving | Restaurant ligt naast natuurreservaat Willem Leopoldpolder, waar je prachtig kan wandelen |
Populaire Kenmerken:
- Romantisch
- Restaurant
- Vegetarisch
- Gratis parkeren
- Geschikt voor kinderen
- Lunchroom
- Rolstoeltoegankelijk verblijf
- Groepen vanaf 8 pers.
- Gezin
- Nabij natuurgebied
- Uitzicht op de tuin
- Engels
Aangenaam, mijn naam is Annika Hollebek, 45 jaar en moeder van 3 dochters. Geboren en getogen in midden Zeeuws-Vlaanderen (Axel), maar inmiddels al 20 jaar ondernemer en inwoner van de Gemeente Sluis. Samen met mijn man Dimitri Valckx zijn wij sinds 2019 eigenaar van het mooie restaurant Zilt & Zout in Retranchement, gelegen aan het Zwin op de plek van vroeger De Witte Koksmuts. Daarvoor hebben we 15 jaar restaurant De Deining uitgebaat aan de kust van Groede/Nieuwvliet. We hebben allebei mooie horecaopleidingen gevolgd en voor het eigen ondernemerschap altijd in de regio aan het werk geweest. In ons restaurant verwennen we gasten graag met allerlei lekkers uit de Noordzee zoals zeetong, roggevleugel en Fruits de Mer. Ik heb ook een brede kennis over wijnen en volg daar nog steeds met plezier opleiding voor. Daarnaast ben ik altijd al geïnteresseerd geweest in de eigen streek en geschiedenis. Het volgen van de cursus gastheer/vrouw van de Zwinstreek was dus eigenlijk vanzelfsprekend. Ik vertel gasten graag over onze fantastische omgeving. Door de cursus ben ik ook veel te weten gekomen over de andere kant van de grens, waar ook ontzettend veel te zien en te beleven is. Het steeds groeiende netwerk van gastheren- en vrouwen vind ik van enorm toegevoegde waarde.
labels:
Zie ook:
- Ontdek Zilt & Zoet: Overheerlijke Afhaalmenu's met Verse Seizoensproducten
- Ontdek de Beste Reserveringsmogelijkheden bij Zilt & Zoet voor een Onvergetelijke Ervaring!
- Ontdek het Verrukkelijke Menu van Zilt & Zoet: Onmisbare Recensies en Achtergrondinformatie!
- Ontdek de Beste HiPRO Protein Kwark Aanbiedingen in Jouw Supermarkt – Scoor Nu!
- Ontdek De Combimagnetron: De Ultieme Oven en Grill in Één Voor Perfecte Resultaten!




