Het Historisch Festival brengt de geschiedenis van Zoetermeer op een bijzondere manier onder de aandacht. Geschiedenis vanaf de middeleeuwen, met ridders en vikingen, maar ook wat recenter zoals de Slag bij Zoetermeer en bevrijding van Leiden in 1574. Dat Zoetermeerders belangstelling hebben voor hun geschiedenis blijkt wel uit de grote aantallen bezoekers die het festival bezochten. Dat de 'prins op het witte paard' echt bestaat en niet zomaar een sprookje is bewees Duane tijdens zijn bijzondere huwelijksaanzoek na de ridderspelen.

De Gemeenschap: Een Cultureel Tijdschrift Herdacht

Het is verheugend dat dit tijdschrift na 100 jaar nu uitvoerig wordt herdacht, maar ook enigszins verwonderlijk. In januari 1925 verschijnt in Utrecht de eerste editie van De Gemeenschap. Het wil geen ‘gewoon’ rooms-katholiek tijdschrift zijn. Om zich te onderscheiden van het katholieke jongerenblad Roeping zal het schoonheid combineren met sociale dienstbaarheid. De Gemeenschap wil stelling nemen en werken vanuit de katholieke beginselen, maar onafhankelijk zijn van de kerk en de Roomsch-Katholieke Staatspartij. Het moet ook meer zijn dan een literair blad.

Vanaf het begin is er veel aandacht voor architectuur, beeldende kunst, film, muziek en toneel. En het tijdschrift bevat artikelen over levensbeschouwing, maatschappij en politiek. Een belangrijke aanzet tot de oprichting van De Gemeenschap was een vergadering in april 1924 in een Tilburgs café. Het doel was om de ‘katholieke schrijvers’ uit Noord- en Zuid-Nederland nader met elkaar te laten kennismaken. Daar werd feitelijk de kiem gelegd voor De Gemeenschap.

De Gemeenschap was de literaire spreekbuis van de ‘jong-katholieken’ in het interbellum. Intrigerend is dat het culturele tijdschrift niet alleen zeer katholiek van signatuur was, maar tegelijkertijd opvallend avantgardistisch - bepaald geen vanzelfsprekende combinatie. Vanaf het eerste nummer schonk De Gemeenschap aandacht aan architectuur. De jonge Utrechtse architect Willem Maas (1897-1950) zat zelf in de redactie. Samen met redacteur Jan Engelman deelde hij zijn gedachten over schone bouwkunst. Spoorwegarchitect Sybold van Ravesteyn (1889-1983) haakte aan en schreef jarenlang bijdrages voor het katholieke blad. Daarnaast ontwierpen Maas en Van Ravesteyn omslagen. Dat deed ook Gerrit Rietveld, die niet zelf publiceerde in De Gemeenschap, maar wel besproken werd.

In het maandblad De Gemeenschap werd aandacht besteed aan literatuur, architectuur, muziek en film, maar zeker ook aan de beeldende kunsten. Het blad fungeerde als een podium voor jonge katholieken die op zoek waren naar nieuwe uitingsvormen van hun geloof. Bij het tijdschrift en de gelijknamige uitgeverij waren meerdere kunstenaars betrokken die later grote bekendheid kregen, zoals Jozef Cantré, Otto van Rees, Hendrik Wiegersma, Charles Eyck, Leo Gestel en Constant Nieuwenhuijs. De meesten hebben in de loop der tijd de nodige kunsthistorische aandacht gekregen, maar de beeldhouwers onder hen zijn enigszins buiten beschouwing gebleven.

Oudegracht 55 bood tussen 1927 en 1940 ruimte aan de redactie van De Gemeenschap, een filmmaker, een architect en drie beeldend kunstenaars. Het pand moet hebben gebruist van artistieke energie, feesten, stevige discussies en ook vertwijfeling, want het waren roerige tijden. Tegenwoordig zouden we het een creatieve ‘hub’ noemen. Utrecht had in deze periode nog minstens twee van zulke plekken. Op Oudegracht 341 woonden Jan Engelman, Martinus Nijhoff en Cola Debrot en had Pyke Koch zijn atelier. En in het woonhuis van jonkheer René Radermacher Schorer op Wilhelminapark 12 werden met grote regelmaat soirees gehouden; het was een ‘zoete inval’ voor schrijvers en kunstenaars.

De Gemeenschap was voornamelijk gewijd aan literatuur en kunst, maar er verschenen ook regelmatig artikelen over film en bioscoop in het tijdschrift. Een hoge dunk hadden de schrijvers daarvan niet van films die in de bioscoop draaiden. Zo schreef Jan Bruna al in de eerste jaargang: ‘Ah, die bioscooppest, die krater van verderf, dat machinegeweer van zedeloosheid, die loudspeaker der zonde!’ Ook de af en toe verschijnende katholieke films konden geen goedkeuring wegdragen.

In het jaar 1925 waarin De Gemeenschap van start ging, werden enkele religieuze gedichtjes gepubliceerd van de 10-jarige Kees Crone, de latere schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Ze werden opgenomen in een kinderkerkboekje dat was samengesteld door zijn onderwijzer op de Sint-Gregoriusschool van de Fraters van Utrecht. Op dat moment ontwaakte Crones wens om wat hij schreef in druk te willen zien. In latere jaren was hij fanatiek bezig om zijn gedichten en verhalen gepubliceerd te krijgen, ook bij De Gemeenschap.

Zo kreeg de moderne kunst in het Kröller-Müller Museum in Otterlo, het Kunstmuseum in Den Haag, het Stedelijk Museum in Amsterdam en Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam een belangrijke impuls. Daarmee werden de fundamenten gelegd voor de musea zoals we die tegenwoordig nog kennen. Weinigen weten dat er in die tijd ook in Utrecht een moderne kunstcollectie werd gevormd, met een wel heel bijzonder karakter: die van het Museum voor Nieuwe Religieuse Kunst.

In 2022 verscheen de biografie Eindeloze Vlucht over de joods-Oostenrijkse schrijver Joseph Roth. Daarin wordt gesteld dat uitgeverij De Gemeenschap failliet ging aan de schulden die ze zich met Roth op de hals had gehaald. Zover is het niet gekomen, maar de geniale Roth heeft het de uitgeverij aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog wel lastig gemaakt. Over zijn relatie met De Gemeenschap is bekend dat de redacteuren Cornelis Vos en Anton van Duinkerken vriendschappelijke betrekkingen met hem onderhielden. Minder bekend is de rol van uitgever Henri Nelissen en zeker die van zijn vrouw Gree Nelissen-Gemke.

Cris Agterberg (1883-1948), in zijn eigen woorden ‘beeldhouwer en sierkunstenaar’, heeft zijn hele werkzame leven in Utrecht doorgebracht. In 1936 begon hij een tentoonstellingsruimte op Achter Sint Pieter 16, waar vele bekende en onbekende kunstenaars exposeerden. Onder hen waren medewerkers van De Gemeenschap, zoals Charles Eyck en Lambert Simon. Ook de architecten Rietveld en Maas kwamen er over de vloer.

Flight to Lowlands Paradise: De Utrechtse Roots van een Festivalgigant

Vijftig jaar na het allereerste Nederlandse popfestival wordt het verhaal verteld van Flight to Lowlands Paradise. Iedereen kent tegenwoordig het festival Lowlands dat sinds 1993 in de huidige vorm wordt georganiseerd, maar weinig mensen weten dat naamgever van dit festival uit de Domstad komt. Twee Utrechtse kunstenaars, Bunk Bessels en Dolf Hartsuiker, raakten onder de indruk van het muzikale evenement 14 Hour Technicolor Dream in Londen. In het vliegtuig terug ontstond het idee om ook in Utrecht een festival te organiseren. De eerste editie van Lowlands was geboren.

Ook bedachten ze direct een naam. “The Flight to Paradise. Later in de kroeg hoorden ze Bob Dylans nummer Sad Eyed Lady of the Lowlands. De naam voor het festival was geboren”, aldus Steenbergen. Bessels had samen met Dolf Hartsuiker, Rob van Gemert en Jaap van de Klomp en een groep gelijkgestemden van de tegencultuur in Utrecht de groep ‘Volte’ opgericht. In het gelijknamige blad van de groep schreef Bessels over de entourage en schaalgrootte van 14 Hour Technicolor Dream.

Op 24 november 1967 was het aan de Utrechters om aan de hoge verwachtingen te voldoen, in de Margriethal van de Jaarbeurs. Het festival voldeed en al snel viel de beslissing een tweede editie te organiseren, opnieuw in Utrecht. De tweede ‘Flight’ op zaterdag 28 december 1968 trok duizenden bezoekers naar Utrecht. Steenbergen schrijft in zijn boek: ‘Ikzelf heb zelden zulke benauwde momenten gehad. Je werd door de menigte in elkaar gedrukt en tegen de pui van de zaal geplet. Het duurde anderhalf uur in deze benauwde positie voor ik binnen was. De chaos binnen was misschien nog groter. Er bleken geen voorzieningen te zijn, zoals garderobes of plaatsen waar je kon zitten.

“Berry Visser en Leon Ramakers, die jarenlang MOJO Concerts hebben gerund, organiseerden in 1993 voor het eerst het huidige Lowlands. Ze hebben Bunk Bessels gevraagd of ze de naam van het Utrechtse Flight to Lowlands Paradise-festival mochten gebruiken. Om het verhaal uit de eerste hand te horen, ging ik op zoek naar Bunk."

Hij bevestigde dat de naam The Flight to Lowlands Paradise in het vliegtuig terug uit Londen na de 14 Hour Technicolor Dream was geboren en verzonnen door hem en Dolf Hartsuiker. Hij vertelde ook dat Mojo inderdaad over de brug was gekomen met een bedrag voor het afstaan van de naam Lowlands, maar pas nadat het eerste festival (in 1993) had plaatsgevonden. ‘Mojo heeft de naam gewoon gebruikt zonder mijn toestemming, dus heb ik ze verboden het nog verder te gebruiken. Ze boden me uiteindelijk aan de naam te kopen en het bedrag dat ik vroeg heb ik geschonken aan Amnesty International. Bedankt en tot ziens!’

Bunk Bessels: ‘Ik kom uit een arbeidersgezin uit Deventer, als oudste zoon met drie zusters. Mijn vader was oorspronkelijk fabrieksarbeider maar begon zich later te bekwamen in het grimeren. Daarin werd hij heel succesvol: hij won zelfs een Europees grimeursconcours en begon zijn eigen bedrijf: G.P. Bessels en zoon, grimeurs. Een van mijn zussen nam het bedrijf over. Het bestaat nog steeds. Ook mijn andere zussen werken er. Bessels is nog steeds een begrip in de grimeurswereld. Mijn vader zag mij echter liever in de boekhandel werken, waardoor ik na de ulo een opleiding als boekverkoper ging volgen. Zo kwam ik in Utrecht terecht bij boekhandel Van der Galie.

Algauw zat ik midden in het Utrechtse kunstenaarsleven, dat zich onder andere afspeelde in café De Tregter. Daar ontmoette ik mijn latere vrouw Gelske die in het alternatieve hippiecircuit zat en mij met mensen in aanraking bracht als Thijs van Leer, Herman Brood, Harry Muskee en Bert Ruiter, die later in Earth & Fire en Focus zat en een goede vriend werd. Mijn naam Bunk dank ik aan een vakantie op Terschelling. Met Gelske en een aantal vrienden en vriendinnen kampeerden we op een camping waar de meisjes niet in de jongenstenten mochten slapen en omgekeerd. Ik zorgde toen voor onderdak in een leegstaande Duitse bunker en vanaf die tijd noemden ze mij “Bunkie van de Hunkerbunker”.

‘Hitweek was mijn lijfblad. Ik schreef er ook voor. Zo kwam ik in contact met de top van de provobeweging en de alternatieve jeugd. Hitweek heeft ons ook altijd gesteund met berichtgeving over onze activiteiten in Utrecht. We waren actief in de jongerencentra de Kargadoor en Kasieno. Mijn vriend Dolf Hartsuiker en ik waren toevallig in Londen in het weekend dat de 14 Hour Technicolor Dream werd georganiseerd en we vonden het fantastisch. Zoiets wilden wij ook organiseren in Nederland. Terug in Utrecht zijn we meteen begonnen. Dolf Hartsuiker, Rob van Gemert en ik. We dienden subsidieaanvragen in bij de gemeente en huurden de Margriethal in de Jaarbeurs.

Er waren veel Nederlandse groepen en er kwamen artiesten die niet eens waren uitgenodigd. The Exploding Galaxy was er en droeg bij aan het succes van het festival. Het werd een groot succes met meer dan tienduizend man. De gemeente en de politie gaven alle medewerking. Met de toenmalige burgemeester De Ranitz was er veel contact. Hij is er zelf ook geweest met zijn vrouw. Hij vond het prachtig en goed voor de stad. We kregen subsidies in de vorm van bankgaranties, die we echter nooit nodig hebben gehad. Er kwam genoeg geld binnen via de kaartverkoop. De garanties waren om de risico’s van de contracten met de artiesten te dekken. Het ging er allemaal tamelijk anarchistisch aan toe. Zowel de eerste Flight als de Dream daarna. Iedereen kon meedoen en met ideeën komen. In mijn huis aan de Javastraat was het een zoete inval, een plek waar iedereen in en uit liep, een gekkenhuis. Positief anarchisme. Geen revolutie met rookbommen, maar je kreeg de ruimte te laten zien wie je was. We hadden een fantastische band met de politie, hoe gek dat ook klinkt. Terwijl in Amsterdam de jeugd slaags raakte met de politie, kregen wij hier gemakkelijk een vergunning om popfestivals te organiseren.

Er gebeurden ook wel rare dingen. We hadden bijvoorbeeld een geluidsinstallatie geleend die aan het eind van het festival gestolen bleek te zijn. Nooit meer teruggevonden. Voor de tweede Flight hebben we inderdaad Jimi Hendrix gecontracteerd. We hadden een contract met Hendrix voor twintigduizend gulden, tienduizend gulden was als voorschot betaald aan Jimi’s agency. Rob van Gemert heeft dat bedrag teruggekregen van het management, na een reis naar Londen. Er werd gezegd dat hij een gebroken been had en in New York zat, maar later begreep ik dat hij geen zin had en een telegram stuurde met deze smoes. De rompslomp rondom de tweede Flight was zo stressvol, dat ik geen zin had in een derde.

labels:

Zie ook: